is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinden van weinig of geen bloed in het rechter hart (de linker ventrikel is normaliter leegl) en de groote venen en üe. op grond van het vinden van bloedplassen enz. in de nabijheid van het lijk. of een ruime hoeveelheid bloed, opgehoopt in een of meer lichaamsholten (1 'ƒ2—2 L. in buik- of borstholte).

Bij het opzoeken van het geopende \at moet men niet uitgaan van de wond. noch van hare onmiddellijke omgeving; de allicht aanwezige bloedige infiltratie van het weefsel daar ter plaatse maakt, dat men niet voldoende zien kan. Men legt het vermoedelijk getroffen vat een eind verder bloot en sondeert het van die plaats uit, na het aan- doch niet doorgesneden Ie hebben. Blijkt werkelijk ilit val in de wond getroffen te zijn, dan kan men het op geleide \an de sonde bloot leggen, om zoo tot de getroffen plaats te komen, teneinde zich een oordeel over de vaatwond zelve te vormen. Is het vat geheel doorgesneden, dan is het praepareeren er »."] niet noodig. De halsvaten legt men hel eenvoudigste in situ van af den arcus aortae, met de kromme schaar bloot, eventueel na resectie van het stcrnale einde van de claviculae. Hok de suhdaviculaire vaten kau men zoodoende voldoende vrij praepareeren, wanneer men de huid wat verder van den thoraxwand afpraepareert.

Len geopende piale vena zal men zelden vinden; een geopenden sinus wel. Van uit den laatsten kan het tot luchtembolie koinen.

Hij de beoordeeling der oligaemie hebben wij er op Ie lel ten, of er soms andere oorzaken bestaan, welke de bleekheid der organen door anaemie kunnen verklaren, zooals tuberculose, cachexia paludosa, beri-beri, carcinoom, enz. Hij het vinden van een leeg hart en groote veneuse vaten moet men de mogelijkheid voor oogen houden, dat dit in de warme kustlanden reeds 11a één dag, het gevolg kan zijn van de rotting.

Een bloedverlies van 1500 e. c. is voor een volwassen gezonden persoon niet doodelijk; het kan het wel zijn bij een zieke (rookers, arteriosclerose, potatoren), waar de vaatwanden zich niet voldoende aau het mindere bloedquant um kunnen accomodeeren. Verder verdragen kleine en jonge kinderen ook niet best een matig bloedverlies door de geringe prikkelbaarheid van hun centrale zenuwstelsel (vasoinolorisch centrum), waardoor eveneens de vaatdoorsnede zich slecht regelt naar de hoeveelheid bloed, welke hel vaatslelsel doorstroomt. In de algemeene pathologie wordt er bij de leer der bloedingen °P gewezen, dat het organisme zoolang mogelijk den bloedsdruk tracht hoog te houden, door het vaatstelsel zich te doen accomodeeren aau de hoeveelheid overblijvend bloed. Uil geschiedt hel gemakkelijkste, wanneer de hoeveelheid bloed langzaam afneemt: daardoor is niet alleen de hoeveelheid bloed, welke het vaatslelsel verlaat, doch ook de snelheid, waarmede dit geschiedt, van gewicht. Hoe sneller het bloed wegvloeit, des te geringer zal de oligaemie zijn en omgekeerd.

Bij proefdieren ziel men, dat meer dan de helft nog in leven blijft, wanneer 2l3 en soms nog meer van de geheele bloedshoeveelheid in eens ontlast wordt. Ken krachtig mensch kan de helft verliezen, dus + 3.0%, van zijn lichaamsgewicht, zonder gedood te worden.

3e. Inhibitie, shock en commotio cerebri.

Ilij inhibitie komt het reflectorisch (door remming) tot plolselimjcn stilstand