is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dooilelijke commolio ccrcbri is ook een reden, waarom bij gelijktijdig ontstane verwondingen bloeding kun uitblijven (A. Paltaup, 1889).

Kr nmet echter o|i gewezen worden, dat, zooals de ondervinding dan ook leert, het zeer goed mogelijk is, dat verwondingen, voorkomende aan verschillende deelen van het lijk, niet hetzelfde beeld behoeven te vertoonen. Op de eene plaats kan het nog wel tot bloeding gekomen zijn, terwijl deze op andere plaatsen geheel kan ontbreken. Deze schijnbare tegenstrijdigheid vindt echter een gereede verklaring in het leit, dat niet in alle deelen van het lichaam evenveel vaten voorkomen, deze niet overal hetzelfde kaliher hebben, en bij de verschillende verwondingen niet overal evenveel en even groote bloedvaten geopend behoeven te zijn, ja, dat dit zelfs niet waarschijnlijk is. Bovendien kunnen locale verwondingen van vaatzenuwen bestaan en hierdoor invloed op de bloedsverdeeling uitgeoefend worden.

^ erder mag niet vergeten worden, dat onder invloed van de optredende ontbinding en rotting kleine bloeduitstortingen kunnen verdwijnen, zoodat bij een oud lijk groote voorzichtigheid geboden is en men in zulk een geval beter doet (zooals trouwens overal, waar men iets niet zeker weet), geen heslist oordeel uit te spreken, doch onder een nauwkeurig opsommen der gevonden afwijkingen en het bekend stellen van de verschillende mogelijkheden de redenen te ontvouwen, waarom men in dit geval meent, zich van een scherp geformuleerd oordeel te moeten onthouden. Het is de plicht der deskundigen den rechter voor te lichten en hieraan wordt op de aangewezen wijze naar het geweten voldaan.

c. Het uitblijven van bloeding, omdat de geheele bloedshoeveelheid minder wordt.

liet is duidelijk, dat, wanneer in een buis, gevuld met vocht onder zekeren druk, een groote en een kleine opening gemaakt worden, het meeste vocht daar zal uitvloeien, waar zich de grootste opening bevindt; de verhoudingen kunnen zells zóó gedacht worden, dat uit het kleine gaatje geen vocht stroomt, en dat talrijke kleine openingen beletten, dat het vocht vloeit uit een groote.

tieheel hetzelfde is a priori aan het circulatie-apparaat te verwachten, te nieei daar de bloedsdruk in de grootere arteriën hooger is dan in de kleine, vooral tijdens de drukverhooging door de polsgolf. Gelijktijdige verwonding van een groote en een kleine arterie kan daardoor zóó uitvallen, dat uit de opening in de kleine slagader geen bloed vloeit; omgekeerd zal opening van zeer vele kleine takjes kunnen leiden tot hel uitblijven van bloeding elders, waar een groote arterie geraakt werd. Vasomotorische invloeden spelen hier natuurlijk een groote rol bij.

Deze theoretische beschouwingen worden geheel door de praktijk bevestigd.

Zoo is het geval bekend, dal een kind overreden werd en nog 10 minuten leefde; een der artt. iliacae comm. was doorgescheurd en tevens bestonden