is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de nuid veel lichter, vooral aan handpalmen en voetzooien (grijswit) en wel des te lichter naarmate de vrucht langer dood is. Wat de inwendige organen betreft, zoo ziet men bij de maceratie geen gasbellen in het parenchym optreden, doch zij vervloeien zonder dit verschijnsel.

Het gemacereerd zijn van de huid is op zich zelf niet voldoende om tot het in utero gestorven zijn te mogen besluiten.

Het gemacereerd zijn van de vrucht bewijst zonder meer, dat het kind m utero gestorven is en men dus niet te maken kan hebben met kindermoord.

In de practijk is de maceratie echter uit den aard der zaak altijd met rotting gecompliceerd, omdat in gerechtelijke gevallen nooit een vrucht terstond na de baring tot onderzoek komt, doch eerst, nadat zij reeds eenigen tijd weggemoffeld is geweest. Na één dag verandert de rotting het typische uiterlijk van gemacereerde vruchten reeds geheel; daarom heeft de leer van de maceratie voor de tropen zoo goed als geen waarde.

Te dezer plaatse moet even het feit, medegedeeld in de lessen over algemeene pathologie, gememoreerd worden, dat lijkjes van kinderen, die niet geademd hebben, van buiten naar binnen in rotting overgaan en dat bij hen het postmortale bloedtransport niet optreedt: immers het maagdarmkanaal is steriel en de longen bevatten evenmin mikroben. De rotting verloopt anders dan bij lijkjes van kinderen, die geademd of gezogen hebben, bij welke zij geheel verloopt als bij volwassen personen.

Bij doodgeboren kinderen ontstaan dan ook zoo goed als geen rottingsgassen in het subcutane bindweefsel; bij hen spelen vliegenmaden een zeer groote rol en vernielen buitengewoon snel het lijkje, wanneer dit blijft liggen (noot bl. 56).

Toch is het voor den gerechteLjjk-geneeskundige van belang de maceratie te kunnen herkennen, te weten hoe gemacereerde vruchten er uitzien.

Gemacereerde (totfaule, faultote) vruchten zien er eigenaardig uit; de verschijnselen zijn des te duidelijker, naarmate zij langer dood zijn. Jïa 2—3 weken pleegt men de volgende aan te treffen.

Zij zUn slap. gemakkelijk vervormbaar, zoodat zij plat op de tafel liggen en hebben zeer bewegelijke gewrichten. De epidermis is hier en daar in blazen, gevuld met een vuilbloederig vocht, opgelicht, of afgestooten en kan, waar zjj nog aanwezig is. gemakkelijk weggeveegd worden, behalve aan het hoofd. Het blootliggende corium is diffuus bruinrood, vochtig, glibberig en op doorsnede geleiachtig; hier en daar, doch vooral om den navel, is echter de kleur leigrijs.

Het hoofd is plat, de neus is ingezonken, de wangen zijn op zijde gezakt en de schedelhuid zit als een slappe zak om de, ten opzichte van elkaar verschuifbare of geheel los liggende, schedelbeenderen. De conjunctiva bulbi, de cornea, de lens, welke verweekt is. de humor aqueus en liet corpus vitreum zijn diffuus vuilrood ('). Geboren in hoofdligging kan een soort geboortegezwel voorkomen (bl. 44).

De hals en de buik zijn slap: de laatste en ook eenigszins de borst, zijn plat als bij een kikker; de buik hangt naar de eene zijde over, terwijl de navelstreng bloederig en soms gallig geïmbibeerd is.

(') Volgens Runge 11882) neemt het corpus vitreum reeds niet een paar dagen die kleur aan en is de lens met 3 weken regelmatig zoo gekleurd.