is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Df borsten zijn gezwollen en t>ij druk op de sinus laetiferi komt er een weinig, dik vloeibaar, geel kolostrum (') uit; de tepel en zijn areool zijn bruin tot bruinzwart, al naar gelang van het ras; de glandulae areolares puilen uit.

De portin raginalis is slap, wijd openstaande, gewoonlijk op een of meer plaatsen ingescheurd: inwendig onderzoek laat nien echter, om mogelijk infectiegevaar, beter na.

De placenta kan nog na meerdere dagen in geheel versclien toestand in den uterus gevonden worden.

Verhoogde lichaamstemperatuur komt vrü regelmatig voor; direct na de geboorte stijgt zij gewoonlijk tot 89° en schommelt in de volgende dagen tusschen 36°—38°, in den regel 's avonds iets hooger zijnde dan 's morgens.

De pols frequentie is afgenomen (50—60), de swectsecrctic is verhoogd, terwijl het lichaamsgewicht gaandeweg de eerste dagen duidelijk afneemt.

a. Kenmerken van een kort geleden doorgemaakte bevalling.

Bij een bevalling treedt altijd haemorrhagie op; deze is bij zeer snelle en geheime bevallingen dikwijls vrij sterk, door de hierbij vaak voorkomende atonia uteri.

De beide eerste dagen na de bevalling vloeit er dan ook gedeeltelijk gestold bloed uit de vagina, daarna wordt de afscheiding (loehia) geleidelijk sero-sangninolent. zoodat zij er den 4den—5den dag als bouillon uitziet [iets slijmerig en vlokkig (2)], om den 8en—9en dag meer op pus te gaan gelijken Geleidelijk wordt het adspect meer slijmerig en neemt de hoeveelheid af. zoodat zij 2—8 weken post partum reeds tot een minimum beperkt is en 5—H weken post partum heeft opgehouden. Op het eind gelijkt de afscheiding op een eenvoudige leukorrhee. In de tweede week kan zij weer voorbijgaand bloederig zijn.

Zij houdt vroeger op bij een zoogende dan bij een niet-zoogende vrouw en des te vroeger naarmate de hygiënische verhoudingen beter zijn. De afscheiding is bij alle vrouwen niet even sterk; zij kan zeJfn zoo goed alt geheel ontbreken. De reuk der lochiën is na 4—5 dagen een eigenaardige, minder duidelijk bij Inlandsche en Indo-europeesche dan bij Europeesche vrouwen.

Den 2en dag na de bevalling staat in normale gevallen, wanneer geen infectie is opgetreden, de fnndus uteri 11 c.M. boven de symphysis, den 4en dag H—7 c.M., den tien dag nog 4—5 c.M., den lüen (meer dan lleni dag staat hij er achter. De stand van den fundus moet bepaald worden bij een leege blaas en een leeg rectum.

Uit den stand van den fundus en uit het adspect van een eventueel

(1) Kolostrum vertoont mikroskopisch enkele melkbolletjes, grootere ronde kolostrumbolletjes (= tellen met kern en talrijke vetdrupjes; phagocyten, v. Ebneb) en vettig gedegenereerde plavei-epitheliön; de melkbolletjes zijn niet alle even groot (1—10 y diameter).

(2) Mikroskopisch vindt men naast talrijke bloedlichaampjes, decidua-resten (gekenmerkt door de groote cellen), epitheellappen en vettig gedegenereerde, gladde spiercellen.

_(:l) Mikroskopisch vindt men uterine en vaginale epitheek-ellen en polynucleaire leukocyten en af en toe rholestearine-kristallen.