is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1(5. Verdere inspectie en palpatie der longen (parelteekening! consistentie, knisteren.)

17. LONGENDRIJFPROEF.

a. de borstorganen worden in een ruim vat met helder, zoet water gedompeld ; men gaat na of zij flink of slechts even drijven dan wel zinken; indien teekenen van rotting bestaan dan gasblazen onder pleura doorprikken.

b. hart en thymus worden verwijderd en onderzocht en daarna nogmaals de drijfproef met de longen alleen herhaald (2).

c. trachea en hoofdbronchi (tot aan hilus pulmonum) worden aan den achterkant opengeknipt en hun inhoud en wand nagegaan.

d. drukproef met iedere long afzonderlijk, na klieving bronchi en vaten (long optillen, bronchus niet te dicht bij long afknippen); praeparaatjes maken van inhoud bronchi.

e. inwendig onderzoek der longen op de gewone wijze (afdrogen, insnijden met droog mes en praeparaatjes van longsap uit peripherie maken).

f. insnijden van de longen onder water; uitpersen met snêevlak naar boven gekeerd.

g. drijfproef met iedere longkwab afzonderlijk.

h. drijfproef met afgeknipte, boongroote stukjes long (men laat de stukjes in het water vallen); uitpersen der drijvende stukjes in doek of tegen den wand van het vat; men noteert voor iedere longkwab hoeveel stukjes drijven en hoeveel zinken.

18. De halsorganen worden op de gewone (submentale) wijze uit het lijkje verwijderd, de oesophagm en pharynx aan de achterkant opengeknipt (inhoud; praeparaatjes!) en de voorvlakte der wervelzuil onderzocht.

In gevallen, dat de longdrijfproef dubieus of negatief uitvalt:

19. MAAGDARMDRIJFPROEF.

a. dubbele onderbinding van den oesophagus boven de cardia, na klieving van het middenrif tot den hiatus oesophageus; dubbele onderbinding van

(') De raad van Stumpf (1905), om water van 37° te gebruiken, verdient in het algemeen aanbeveling; in bergstreken heeft men er derhalve voor te zorgen, dat het water lauw (en niet koel) is.

(2) Al bewijst het drijven van de borstorganen in toto evident, dat het kind geademd heeft, zoo is het toch goed de longendrijfproef ook in zulk een geval nog in hare onderdeelen te verrichten. Het bewijs, dat het kind geademd heeft, wordt er, zelfs voor den meest skeptischen persoon, des te duidelijker door. Een verder voordeel ligt daarin, dat de weinig geoefende onderzoeker door het zinken van stukjes der longen eventueel op het spoor gebracht wordt van een partiëelen foetalen toestand en meer nog van bestaande pathologische toestanden, welke anders allicht aan zijn aandacht zouden ontsnappen (bronchopneumonische haarden!) en toch de oorzaak van den dood zijn.

Om deze beide redenen is het goed de longendrijfproef in al haar onderdeelen te verrichten, ook al blijkt bij het begin van het onderzoek reeds duidelijk, dat het kind geademd heeft.