is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zicelling van de borsten, door het uitgroeien van het klierweefsel, met pigmentatie van de arealen en papillen en de afscheiding van een waterachtig roclit (door druk aantoonbaar) treden gewoonlijk reeds in de 2e maand op. Striae lividae ontstaan in den regel eerst na de 4e maand, terwijl de pigmentatie van de lijn tnsschen navel en symphym ook op dien tijd pleegt op te treden.

Over de mogelijkheid van het zwellen der borsten met secretie en over het ontstaan van striae door andere oorzaken dan zwangerschap, zie dl. II, bl. 97 en 98. De zg. linea fusca heeft men wel bij jonge maagden waargenomen, die nog niet eens de puberteit hadden bereikt.

Nog vaker dan in de gewone praktijk zal men in de medico-forensische zijn oordeel over de mogelijkheid van een bestaande zwangerschap dan ook moeten opschorten; dit is altijd aangewezen, waar men ook maar eenigszins twijfelt. Dan stelt men aan zijn lastgever, onder opgaaf van redenen, voor het onderzoek over een maand nogmaals te herhalen en eerst dan zijn conclusie te geven. Hiertegen kan nimmer bezwaar bestaan en hierdoor wordt het maken van fouten voorkomen.

In de gerechtelijk-geneeskundige practijk zal men herhaaldelijk tot het uitstellen van zijn conclusie moeten overgaan, omdat in de allereerste maanden van zwangerschap de objectieve symptomen volkomen kunnen overeenkomen met die eener onlangs plaats gehad hebbende miskraam; door af te wachten worden zij bij zwangerschap duidelijker of komen er nieuwe bij, terwijl bij een miskraam alles geleidelijk tot de norm terugkeert. Een vergroote, wat minder vaste uterus, welke het HEGAR'sche symptoom vertoont en tijdens het onderzoek wellicht door contractie vaster wordt, komt toch bij beide voor; onregelmatigheid van vorm, welke bij zwangerschap veelvuldig voorkomt in de eerste 3 maanden, ontbreekt na een miskraam, zoodat zij voor de eerste pleit.

De moeilijkheid van het herkennen van zwangerschap in haar eerste maanden, maakt het ook moeilijk uit te maken of de vrouw in die periode een miskraam heeft gehad; dit is vooral het geval, omdat in den eersten tijd der zwangerschap de baring weinig of geen blijvende teekenen achterlaat, dit althans slechts bij hooge uitzondering doet.

Bij multiparae kan men door objectief onderzoek nimmer uitmaken, dat de laatste zwangerschap ontijdig is geëindigd, tenzij zij zeer kort erna worden onderzocht. Bij primiparae kan men in het algemeen uit liet aanwezig zijn van veranderingen, welke op een doorgemaakte zwangerschap en uit het afwezig zijn van afwijkingen, welke op een plaats gehad hebbende baring wijzen, besluiten tot het plaats hebben gehad van een miskraam. Dat dit echter niet altijd opgaat moet worden toegegeven; het geval van Strohl, in dl. II op bl. 96 gememoreerd, is echter een hooge uitzondering.

Hier teekenen wij ten slotte nog aan, dat de inscheuringen van het oriflcium externum uteri eerst met 4—5 dagen te voelen zijn; daarvóór is de portio vaginalis cervicis te week om ze op te merken bij het toucher.