is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Was de zwangerschap verder dan 3 maanden heen dan gelijkt de miskraam op een gewone bevalling en miniature en wel des te meer naar mate de zwangerschap verder was gevorderd; zoo goed als altijd wordt hierbij het eerst de vrucht uitgedreven en, uren tot dagen, later pas de placenta met de vliezen. Daardoor zullen in dergelijke gevallen bij primiparae niet alleen de verschijnselen van een doorgemaakte zwangerschap in grooter aantal of duidelijker aanwezig zijn. doch zullen tevens de veranderingen, welke de partus als zoodanig verwekt, langer zijn terug te vinden en, voor zoover zij van hlijvenden aard zijn, ook duidelijker zijn. Dan geldt mutatis mutandis dus alles, wat in dl. II, bl. 94 e. v. werd gezegd. Het is echter onmogelijk te zeggen hoe voor elk tijdstip die wijzigingen zijn; slechts zeer in het algemeen laat zich hierover iets zeggen, daar alles binnen te wijde grenzen schommelt. Zoo heeft men bv. na een baring a terme gezien, dat met 5 dagen alles weer vrijwel tot den normalen toestand was teruggekeerd. Dit is natuurlijk een zeldzaam geval, doch het bewijst hoe uitermate voorzichtig men in zijn appreciatie der al of niet gevonden afwijkingen moet zijn, te meer waar Stratz schrijft verscheidene malen bij Inlandsche vrouwen op den 4en dag na de baring (a terme) den uterus bijna geheel geïnvolveerd te hebben gevonden, overeenkomende met den toestand, welke men in Europa gewoon is op den 14en—20en dag post partum aan te treffen (J).

Zeer in het algemeen geldt dan ook slechts het volgende.

Bij een miskraam van 4 maanden zal na 2 weken gewoonlijk slechts alleen worden aangetroffen: abnormaal sterke pigmentatie van de areolen en tepels, zoodat niet kan worden verklaard, dat de vrouw zwanger is geweest en korten tijd geleden een miskraam heeft gehad; men kan hoogstens de mogelijkheid ervan toegeven en zeggen, dat er niets tegen pleit. In een ander geval van miskraam van 3—4 maanden kan echter nog maanden lang secreet uit de borsten te drukken zijn, zonder dat ook hieraan bewijskracht kan worden toegekend, zelfs niet bij primiparae (dl. II, bl. 97).

Veelal zal, wanneer de vrouw niet te laat tot onderzoek komt, het gelukken in den uitvloed, zoo hij nog bestaat, deciduaresten aan te toonen. De lochiën zijn niet als zoodanig door mikroskopisch onderzoek te herkennen; ook op den reuk, ofschoon deze vrij typisch kan zijn, mag men in foro niet de diagnose van kraamzuivering stellen. Op het aantoonen van decidua-resten komt het derhalve aan.

Waar het niet gelukt eiresten aan te toonen, komt het aan op het juist en, in onderling verband, naar waarde schatten van hetgeen bij objectief onderzoek wordt gevonden, in verband met hetgeen anamnestisch werd medegedeeld. Het laatste moet echter zeer skeptisch worden beoordeeld; ook tegenover de objectieve teekenen moet men zeer kritisch in zijn oordeel zijn. gelet op hetgeen hierover werd gezegd.

(') Stratz, 1. e., bl. 30.