is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feit dan ook moet worden gekend. Opgeteekend vonden wij in dit opzicht echter alleen het volgende.

Nieuwenhüis (') zag driemaal intoxikatie door het nuttigen van het vleesch van een Argusfazant (koewau), welke blijkbaar giftige zaden of vruchten had gegeten. Lichte gastritische verschijnselen werden gevolgd door hevige rheumatoïede pijnen in de spieren van den rug en van den buik en later door hevige gastro-enteritische symptomen, waaronder de voedingstoestand zeer leed en de lijders zeer verzwakten.

In zulke gevallen heeft men te maken met gevallen van intoxikatie geheel buiten den wil van den mensch om, doch het is ook mogelijk, dat het vleesch giftige eigenschappen bezit, doordat het dier met opzet werd vergiftigd. Zoo is het mogelijk, dat de ingewanden van vee, vergiftigd met warangan, akar djênoe e. d., voldoende gif bevatten om den mensch, die ze oppeuzelt, ziek te maken. Zoo is de mogelijkheid denkbaar, dat het vleesch van het wilde varken, gedood door wali kambing (2), giftige eigenschappen verkrijgt, ofschoon geen voorbeelden ervan bekend zijn; dat een hond ernstig ziek werd door het eten van het vleesch van een buffel, met wali kambing bedeeld als tijgergif, zag echter Kerkhoven, welk feit natuurlijk van groote beteekenis is.

In hetzelfde kader past de mogelijkheid van intoxikatie door het nuttigen van het vleesch van wilde varkens, vergift'gd met den geraspten wortel van de kêmbang kockoe matjan (soengsang, Gloriosa superba), welke het colchiciene-achtig alkaloïede superbiene bevat (3). Ook hiervan is tot nog toe geen geval bekend geworden. Maar aangezien het vleesch van de vergiftigde dieren als zoodanig en als dendeng wordt verkocht, hebben wjj gemeend niet te mogen nalaten op een en ander, als mogelijke oorzaak van voedselintoxikatie, de aandacht te vestigen. Dat dergelijke vergiftigde dieren niet altijd dadelijk na den dood worden gevonden en verwerkt, verhoogt natuurlijk liet gevaar ervan, zij het ook uit anderen grond. Deze geheele, hoogst bedenkelijke industrie schijnt in handen van Chineezen te zijn en ook met herten te geschieden.

(') Nieuwenhüis, In Centraal-Borneo, II (1900), bl. 74, 76 en 100.

(s) Wali kambing, de fijngestampte bast van Sarcolobiis Spanoghei, wordt in hoofdzaak gebruikt als tijgergif; het bevat sarcolobiede, een hars met coniïene-eigenschappen en verlamt resorptief de motorische eindplaten, na voorafgaande kortdurende prikkeling van de motorische centra; locaal, op het slijmvlies van het maagdarmkanaal, werkt het prikkelend. De boven gememoreerde hond braakte veel, werd allengs verlamd en bleef verstijfd en als wezenloos 3 a 4 dagen liggen. Bosscha zag in zijn proeven bjj den hond, naast braken, algemeene klonische krampen, gevolgd door verlamming, waarna, in het verloop van dagen, de verschijnselen geleidelijk verdwenen (*).

(3) Dit alkaloïed werd door Haak afgescheiden, in een geval van vergiftiging met warangan en soengsang, te Semarang voorgekomen (**).

Gbeshoff vermeldt het gebruik tot vergiftiging van de koemis matjan, zooals de plant ook wel heet, t. a. p. sub n°. 173. Het droge rhizoom bevat 0.5 0/o superbiene.

De akar soengsang staat als zeer giftig bekend, is het echter in werkelijkheid niet; eerst groote doses geven intoxikatie. Wat de verschijnselen betreft, het volgende. Battacharjee (1872) zag een vrouw van 18 jaar, die een niet nader te bepalen hoeveelheid van den tot poeder gestooten wortel had ingenomen. Met een half uur traden op: oprispingen, hevig braken, hevige allerpijnlijkste krampen, waardoor het lichaam in allerlei bochten werd verwrongen; de verschijnselen vertoonden remissies en exacerbalies; de dood trad na 4 uur op. In het ïyk werd hyperaemie van en bloedingen in de hersenen en -vliezen gevonden: de longen, de lever en de nieren waren zeer bloedrijk; het maagslijmvlies en het perimetrium waren ontstoken; er bestond geen ? wangerschap (***).

(*) Mededeelingen uit 'sLandsi>lantentuin, XXV (18!I8), bl. 138.

i**i (ïoneesk. Tydschr. voor N.-I., dl. 28 (ÏHKS), bl. 311.

(***) Lyon, I. c., bl. 516, case CCLI.