is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedekt; op sommige plaatsen was het epitheel afgestooten; liet darmscheil was bloedrijk, evenals de lever; de milt was normaal.

Ook in de andere gevallen werd bij het gebruik een gevoel van kitteling in mond en keel waargenomen, korten tijd erna gevolgd door een gevoel van drukking in de maagkuil en braakneiging. Verder traden op: duizeligheid, zeer frequente en kleine puls, 'versnelde ademhaling en pijn in de maagstreek, niet toenemend bij druk. De huid was kond. In de gevallen, welke in behandeling kwamen, had de toediening van een braakmiddel (sulplias zincicus) een snel en gunstig gevolg ; de lijders bleven echter nog lang een sterk gevoel van afmatting behouden.

Genoteerd wordt in deze mededeeling, dat de ikan tamban alléén giftig is in Juni, Juli en Augustus en dat de intoxikatie optrad door het gebruik van de schoongemaakte viscli [zonder ingewanden (')].

Naast de visschen, welke slechts in een zekere periode giftig zijn. kunnen wij die plaatsen, welke altijd giftig zijn en dan ook in het algemeen door de Inlanders niet worden gegeten. Hiertoe behooren «le z.g. egelvischen (-): ikan boentêl of ikan boentak in zijn verschillende ondersoorten. Deze egel visschen (Tetrodon-soorten) bevatten een eigenaardig, allerhevigst werkend vergif, waarvan men weet, dat het noch een alkaloïed, noch een eiwit noch een enzym is; het doet den bloeddruk, door verlamming van het vasomotorisch centrum, sterk dalen, verlamt de ademhaling en de uiteinden van de motorische zenuwen, terwijl ook de liartactie zeer erdoor lijdt. Het wordt door koken niet ontleed en staat bekend onder den (Japanschen) naam van foegoe-gif. Het vleesch van den visch is, mits niet verontreinigd door gal, niet giftig, wel de ingewanden; de kuit is zeer giftig, ook de hom (3).

Intoxikatie door het nuttigen van ikan boentêl zijn de volgende.

E(isinc.er) zag in 1848 in het Stadsverband te Bataria drie personen, die, ongeacht de waarschuwingen van hun kameraden, de ingewanden van dezen visch uit de kali hadden opgevischt en verorberd; twee stierven onder de hand, de derde eerst na 4 uur in het Stadverband te zijn opgenomen. Deze was geheel verlamd, had wijde pupillen, looze brakingen, een iets opgezetten buik, welke niet gevoelig was voor druk ; de pols was klein en snel, de huid droog; uit den mond vloeide taai speeksel. De lijder was incompos en antwoordde met onverstaanbare gezegden.

In de lijken van hen, die onmiddellijk stierven, was het slijmvlies van de maagen van den dunnen darm hyperaemisch; in het lijk van hem, die nog eenige uren leefde, waren de buikingewanden bijna zwart en de galblaas tot berstens toe gevuld (4).

Een tiental jaren later, nam men het volgende geval bij een militair waar, die de kuit van een ikan boentêl doeri had opgegeten. Terstond na het eten traden afgematheid, misselijkheid, duizeligheid, hoofdpijn en beginnende verlamming op. Eenige uren later in het hospitaal opgenomen, vertoonde hij hevige pijn in de maagstreek, braakneiging, een gezwollen en stijve tong, verlamming van de beenen, een erythemateuzen uitslag aan de extremiteiten, een snellen, trillenden pols, koud zweet op het gelaat en doodsangst. Het bewustzijn bleef tot den dood ongestoord; de exitus trad op met 3 uur. Bij de obductie werd een lichte gastro-enteritis gevonden (5).

(') Geneesk. Tijdsclir. voor N.-I., dl. XIV (1870), bl. 592.

(2) De inlanders eten niet: hoornvisschen (ikan pangontor), naaldvisscfan (ikan koeda, e. d.), kogel visschen (ikan boentêl) en koffervisschen.

(3) Greshoff vermeldt in zijn Vergiftrapporten, 2e druk, het gebruik van de gal van ikan boentak tot vergiftiging onder n°. 90 en van den naverwanten ikan bèloetak onder n°. 110. In Japan wordt het foegoe-gif tot zelfmoord gebruikt.

(4) Geneesk. Tijdschr. voor N.-I. dl. II (1855?), bl. 320.

(5) Ibidem, dl. XII (1868), bl. 466.