is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Westhoff deed, op de vergadering van de Geneeskundige Vereeniging van 25 April 1878 te Batavia, mededeeling omtrent 3 gevallen van doodelyke intoxikatie door het eten van ikan boentak; een der personen trof hij nog levend aan; deze was zeer cyanotiach, braakte schuim en bloed, was koud en gevoelde zich dronken (').

Bij dezelfde gelegenheid memoreerde Vorderman een door hem gezien geval van intoxikatie door het eten van de kuit; de symptomen waren dronkenschap en dubbelzien; de lijder genas. Verder deelde de Oude mede, dat h\j te Makasser vele dergelijke gevallen zag; gewoonlijk genazen zij met 3—4 dagen en kregen de lijders daarna een sterk jeukend uitslag, dat op mazelen geleek (2).

De verschillende afloop van deze gevallen zal wel moeten worden toegeschreven aan het feit, dat niet alle soorten van den ikan boentêl even giftig zijn; sommige zijn, blijkens de ervaring, vooral in Japan opgedaan, zóó giftig, dat de dood reeds kan optreden onder het nuttigen van de ingewanden, terwijl als ander uiterste er soorten bekend bestaan, welke zoo goed als onschadelijk zijn.

Ten slotte vestigen wij de aandacht erop, dat visschen afkomstig uit koraalzeeën en uit moerassen, aanleiding kunnen geven tot hooge koorts, gepaard gaande met koude rillingen (:l) en dat het bloed van sommige visschen giftig is (4).

Vergiftigde visschen.

Ofschoon wij in de litteratuur geen gevallen zijn tegengekomen van intoxikatie door het gebruik van met toeba gevangen visschen, is a priori de mogelijkheid niet te ontkennen, dat het nuttigen van op deze wijze gevangen visch, vooral als de soort veel toeba noodig heeft om bedwelmd te worden, aanleiding kan geven tot intoxikatie. Terwijl op Java een uitgebreid gebruik van vischvergif niet meer voorkomt, moet dit wel het geval zijn op de Buitenbezittingen.

In gebruik zjjn vooral toeba piêron (dl. II, bl. 390), akar toeba (ibidem, noot 5), saponiene-bevattende planten (bl. 80) en ook kêpajang (poetjoeng, dl. II, bl. 324). In verband met het laatste wijzen wij hier nogmaals op bet gevaar, dat dreigt door het conserveeren van levensmiddelen met poetjoeng (ibidem, bl. 325), op welke wijze door Vordekman, voor Bantam, het eerst werd gewezen (5). Zeevisch wordt daar schoongemaakt en gevuld met de versclie, fijngehakte zaadkernen dezer plant en daarop in een mand gedaan, afwisselend een laag visch en een laag poetjoeng, waardoor de visch minstens 6 dagen goed blijft, terwijl Vorderman, het z\j in parenthesi even opgemerkt, in Noord-Celebes vleeschspijzen zag worden bewaard door ze in bamboekokers met de fijngesneden bladeren dezer plant te omgeven (noot 3. bl. 145).

Zieke visch.

Terwijl in de strafwet geen bepalingen voorkomen tegen den verkoop van zieke visch, zooals wel liet geval is tegen den verkoop van het vleesch van wegens ziekte

(') Geneesk. Tijdschr. voor N.-I., dl. XXIV (1884). bl. 100.

(a) Ibidem, bl. 101.

(■") Erben, Handbuch der aerztlichen Sachverstandigen-Tiitigkeit, band VII. dl. I. 2e helft (1910), bl. 878.

(4) Zoo is, in Europa althans, het palingbloed giftig, doch per os slechts in groote hoeveelheid; het bloed bevat in het plasma een toxalbumiene, khthyotoxikon geheeten. Een man, die het bloed van 640 g. Italiaansche aal opdronk, in 200 c.M3. wjjn, kreeg een hevige gastro-en teritis met stertoreuze ademhaling en facies Hippokratica.

Het bloed van enkele Scomber-soorten (ikan kêmboeng en ikan tjèkalan) staat als giftig te boek. Greshoff (l.c., n°. 234 en n°. 243) vermeldt het gebruik ervan tot vergiftiging; daar toxalbumienen echter zeer gevoelig zijn voor verwarming, is de giftigheid in den daar aangegeven vorm in hooge mate twijfelachtig.

(5) Tijdschrift Teysmannia, dl. II (1891), bl. 369: Geneesk. Tjjdschr. v. N.-I., dl. 39 (1899). bl. 179.