is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der gerechtelijke geneeskunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neele toezicht op den invoer van vleesch behoorlijk wordt uitgeoefend, zullen de verhoudingen natuurlijk andere zijn. Daar deze plaatsen echter nog tot de uitzonderingen behooren, meenen wij voor Indifi in het algemeen ook thans nog het standpunt van Bollinger te moeten innemen, omdat de ondervinding in Europa in latere jaren heeft uitgewezen, dat hij volkomen gelijk had.

Dit illustreeren de cijfers door v. Ermengem verzameld en reeds gedeeltelijk (doch niet geheel juist) in de noot op bl. lt>3 medegedeeld. De 6000 daar gememoreerde gevallen hebben betrekking op 112 van 18(57—1895 waargenomen z.g. epidemieën van vleeschvergiftiging (■). In slechts 9, hoogstens 10, van deze 112 reeksen van ziektegevallen waren het vleesch, de versche waar of de vleeschwaren afkomstig van gezonde dieren; in 103 van beesten, lijdende aan septische of pyaemische zieken. In de het eerst genoemde 9 of 10 reeksen kon slechts 5-maal de oorzaak worden gezocht in rotting.

Het is derhalve van het grootste gewicht de septische en pyaemische ziekten van het slachtvee te kennen, omdat in dergelijke gevallen van een consent tot noodslachting en verkoop van het vleesch natuurlijk geen sprake mag zijn. In hoofdzaak zijn het puerperale infectie-processen bij de koe en de gevolgen van navelinfectie bij het kalf. welke in verschillenden vorm kunnen optreden en door verschillende mikroben kunnen worden verwekt. Bijzaak zijn de septische en pyaemische proeessen, uitgaande van verwondingen, van den apparatus respiratorius of van den apparatus digestorius; hierover kunnen wij zeer kort zijn, omdat hun herkenning geen moeielijkheden biedt en zij in wezen moeten worden beoordeeld als de andere.

Puerperale infectie bij de koe (kalfziekte) openbaart zich in twee hoofdvormen, ofschoon natuurlijk niet altijd het beeld ervan scherp is omlijnd; ook gevallen met gemengde verschijnselen komen voor.

De eerste vorm, bekend onder den naam baringsparese of paralytischen vorm van kalfziekte, vertoont aanvankelijk symptomen van excitatie, welke reeds spoedig door die van groote zwakte worden gevolgd. Eerst wordt het achterstel verlamd en daarna breidt de parese, resp. paralyse zich geleidelijk uit over het verdere lichaam, zoodat ten slotte de beesten roerloos liggen, met gebogen of ook wel met gestrekte, doch lamme pooten. Pisloozing en ontlasting vinden niet meer plaats, Bij pogingen om voedsel of medicamenten in te geven, treedt gemakkelijk verslikken op, met alle gevolgen van dien; hierdoor kunnen de heesten aan pneumonie creveeren. wanneer

(') Deze geijkte term is natuurlijk een onjuiste; daarom hebben wij hem tot nog toe zorgvuldig vermeden. In de eerste plaats hebben dergelijke gevallen geen epidemisch karakter en in de tweede plaats berusten z\j niet altijd op intoxikatie, doch ook wel op infectie, resp. op beide. Bovendien is de uitdrukking „vergiftiging' hier, in een leerboek der gerechtelijke geneeskunde, voor deze gevallen niet op haar plaats (dl. II, bl. 111).