is toegevoegd aan uw favorieten.

De chemische artikelen van de vierde uitgave der Nederlandsche Pharmacopee (anorganische gedeelte)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pharm. Weekbl. 1906, bl. 718.

Sulfidum stibicum.

De uitbreiding, welke dit artikel heeft ondergaan, betreft ook weer hoofdzakelijk de identiteitsproeven. De verhitting (le alinea) leidt tot de splitsing in 2S (geel sublimaat) en Sb2S3 (zwart residu) wanneer deze in een buis plaats vindt dus zoodanig dat weinig lucht kan toetreden. Bij verhitting onder ruime toevoer van zuurstof blijft ten slotte het witte, stabiele osyde Sb203 over.

Het oplossen van 250 mG. in 5 cM3 zoutzuur moet liever niet „door verwarming" (d. i. beneden 100°, zie alg. regel 5), maar bij voorkeur „onder verhitting" (het kookpunt van zoutzuur is ongeveer 120° C.) plaats vinden. Wanneer men toch by deze proef het mengsel in het kokende waterbad verwarmt dan lost het grootste gedeelte wel na enkele minuten op, maar na een uur is nog niet alles opgelost. Bij koking evenwel met het zoutzuur is reeds na enkele seconden het roode antimoonsulfide geheel opgelost en slechts een klein klompje samengeloopen zwavel achtergebleven. De oplossing bevat dan SbCl3.

De oplosbaarheid in ammonia is nu terecht verplaatst naar de zuiverheidsreacties. Deze proef is toch voornamelijk van waarde voor de aantooning van grootere hoeveelheden vrije zwavel die onopgelost overblijven. Kleine hoeveelheden zwavel laat ook zuiver stibiumsulfide achter.

De reactie op arsenicum in dit preparaat moet een onderwerp zijn van bijzonderen zorg. Doordien het natuurlijke antimoonglans altijd arseenhoudend is en door den aard der bereidingswijze, mag men hier allerminst absolute afwezigheid dezer verontreiniging verlangen. De reactie van bettendokf welke de Pharmacopee hier instelt, is zoowel na een uur staan in de koude als bij verwarming in het waterbad, nog in staat om 0,025 mG. As aan te w\jzen (zie dit Weekbl., bl. 58). Daar de Ph. hierop laat reageeren in 100 mG. van het preparaat is de gevoeligheidsgrens der reactie 1 : 4000 en wordt in dit preparaat blijkbaar veel meer arsenicum toegelaten dan in andere chemicaliën (zie ook Ph. W. 1904, bl. 1010, waar van een toelaatbaargehalte van 8 : 10000 gesproken wordt).

De reactie op verschillende vormen van zxoavel is uitgebreid. II>posulfleten en oplosbare sulfiden zouden van de bereiding bij onvoldoende uitwasschen kunnen zijn achtergebleven. Ook met sulfaten is dit het geval, maar de reactie op zwavelzuur heeft nog een andere beteekenis daar dit ook als product van hydroxydatie bij bewaring van het preparaat (vooral in vochtigen toestand) ontstaat. Hoewel nu de nieuwe Ph deze reactie minder streng heeft gesteld door in het uittreksel 1 : 20 te reageeren (Ed. III van 1 : 10), wordt toch nog geklaagd (zie Mededeelingen Coüp. Apoth. 1907, bl. 7), over te groote gevoeligheid dezer reactie waardoor