is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beste deel van hunne dagen sleten in ongestoord gespelemei en lustig verkeer, vergeten van de overige wereld.

Een barre woudvlekke was 't, eene kale openheid, kaal van boomen, maar dik gevloerd met donker mos, met vlaken bloeiende heidekruid, purperrood; daartusschen, daarin en om en boven rankten de egelbramen, met schuchter bleekroode-en-witten enkelbloesem van roosjes, en de beziebramen met zerpziende onrijpe vrucht, bij een last van blinkende zwarte beziën, gespannen vol zap en zoetigheid die ze daar stonden en dragen, ten onnutte, en om 't genot van hunne eigene vruchtbaarheid. Overal tusschen tierden de magere pijlekes boschgers en schoten de rilde biezen met elk, half top, een truizelken haar.

Bij plaatsen groeide 't al te zamen lijk in looverhutten, en daaronder weg liep een gansche net, een doolhof van smalle wandelwegeltjes, die uitkwamen, vijf zesse bij malkaar, op opene plekken waar de grond lag onbegroeid en ongroeizaam, en de koppekeien blekten geklast tegeneen, witgeboend en gespleten, met kanten lijk rauw vleesch.

Dat was het bovendorp, de renbane, de markt en de wereld voor de konijntjes. Daaronder waren hun katacomben, eene mijne, met pijpen doorkelderd lijk eene sponse; elk hield er zijn eigen hof en heerd op zijn eentje, en de holen gaapten boven uit de grond, vol geheimzinnigheid, oude en die schuins wegschoten onder de eerde; nieuwe, t'halverwegen uitgedolven, met bij de werke een hoopke verschontgraven boschgrond.

Omsingeld stond die renbane met een niet te door-