is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar neuslapken op en neêr; door hare scheeve kijkers loerde ze overzijds met welgevallen naar 't woelen en het nestelen dooreen van die vieze muilekes, onder 't beschut van heur eigen haar, dat ze levend uit heur lijf had getrokken. Ze zat en bleef zitten, en ze overlegde, en ze had er heur danig beschot in, hoe die lodderlijke kriepelingskes eens zouden groote konijnen worden en draven door de bosschen, indien er geen rampe op en kwam, en ze geen waterbalgske en kweekten; maar ze zou zij wel zorgen voor drooge bete.

Zoo zat ze te genieten aan dit troostelijk vooruitzien.

Doch, 't werd al laat te zijn en 't geen daarboven ommeging in de opene lucht was haar onweêrstaanbaar verleidelijk geworden. Ze hoorde de bolderende zottemaarterij en 't robbelen op den hollen grond ; ze moest en ze zou haar deel hebben. Nog 'ne keer gekeken, 'nen langen lieven kijk en daarna in twee sprongen de pijpe uit en boven, in de boschlucht.

Eerst, meende ze, moest ze de eerde van haar wezen

slaan, dan de jeukte wegkrabben en dan...

*

* *

Dan kwam het vlug als een schietende straal, lijk een loopende vlammeken over den grond gereden, uit een hol de breedte van drie vingers.

Een zoekende platte otterskop in 't kleene, wit, sneeuwwit, met een paar vinnige oogskes waaruit vlamde eene razende wildheid; een lang, slank, wit lijvetje op vier leege pootjes die repten al over den grond lijk schijverende wieltjes.