is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een wezel!

Al in een ommezien had hij zijn vóórlijf gewend en gekeerd weg en weer, en zijnen kop laten zoeken en snuiven de lucht in. Zijn achterlijf bleef stakestil staan. Dan stak hij zijnen rug op tot een boogde brugske, en als een losspringende vere viel hij onbemerkt in 't moêrkonijntje zijnen hals.

Het arme diertje schrikte op als voor den bliksem. Het gaf een licht klagend gepiep en sprong met alle vier zijn pootjes van den grond recht omhoog; 't viel neder, maar de wezel viel meê; 't was te laat, hij was al zijnen dorst naar bloed aan 't koelen. Zijne scherpe haaktandtjes had hij in het nekvleesch geslegen, en vast hing hij en zoog het warme bloed naar binnen, geklest met eene zotte verwoedheid vast, om niet meer los te laten, lijk een ijftepeze in eenen boom.

Het konijntje, in zijnen doodschrik, trappelde, buiten zijn zeiven, met zijne achterpooten het teeken tot den aftocht en de vreeze sloeg in de stoeiende bende; elk zocht zijn hol en verdween.

Nog een oogenblik hield het beestje stil, maar 't voelde het nijpende wee in zijnen hals, lijk 't priemen van eene naaide door zijn lijf gaan; den wezel had de zoete smaak van 't bloed razende dronken gemaakt; hij zoog, en zijne oogen stonden wijd open gesperd en gloeiend van wilde lust.

Nu sprong het op, met de wanhoop en den ijselijken schrik voor zijn leven. Als bezeten snakte het naar zijn eenig middel tot verweer, en het sprong, reuzesprongen.

Het vaarde met zijnen doodelijken last op zijnen hals