is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu zat ze, met haren kop in hare vlerken, rustig te slapen op den naakten boomtak, en rondom haar zat het de bladerlooze boomkruinen vol met de vlekken van de slapende ravenbende. Hier hadden ze hun kamp neêrgeslegen en vaste zate gekozen voor t gaan en keeren ; al wat menschen nu zouden verzieren om ze uit en weg te roeien was moeite verloren.

Ze zat en ze droomde : van het woeste Zweedsche fjordenland, diep in 't noorden, waar ze vandaan was komen afgezakt met haren stam, ten tijde dat de bladerval hier begon en de wintersche misten rezen. Ze droomde van de vereende klipkusten door de grimme Noordzee gedurig bestormd, van de hooge bergtoppen eeuwig besneeuwd, van de ijsvlakten altijd bevrozen ; jaarlijks nog trokken ze daar weer naartoe, naar de geweldige bergstroomen en de bruischende watervallen, en daar woonden ze bij tallooze benden in de toppen van het wiegende mastgeboomte op de glooiing van de stoere bergen, en daar reisden ze verre en wijd over t verlatene land.

Lang en lastig was dan de overvaart naar hier.

Hare vlerken vaamden wel wijd en grepen goed op de lucht; ze was taai en langlijdend van krachten, maar, te lange is te lange, en t was haar meer dan eens gebeurd dat ze, afgemat en tendengeraamd, haar zware lijf nog met rooi op de lucht kon houden en dat ze gedwongen was te gaan beeten om te rusten, op de fokkera van ievers eenen noordschen driemaster, om niet lam en afgebeuld in zee te storten.

Zulke reizen hielden wat in, maar ze deed ze toch