is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke bezorgdheid om geen eentje te smachten, had ze haar al tasten behagelijk neergevlijd en gestrekt, ten dienste en tot voedinge van haar gulzige kroost.

Neeringe had ze nu, en in grobbelende vlijt nutten de viggentjes, in stage verorbering, tot dat elk zijn bekomste kreeg, en 't ruischte en 't robbelde om end' om het rustende moederzwijn, 't gerep van vijftien keers vier gespleten zwijnenschoentjes, over de mestlage, binnen de omheining van de stalwanden.

Vijftien viggentjes, zwijnelijvetjes in 't kleene; melkwitte velletjes, los gespannen, met teere rimpeltjes over een week geraamte krakeling, met overschot en rekbaarheid om uit te zetten over toekomstigen groei en aanvullinge, tend ze bedijgen zouden tot bergen zwijnevleesch. Vijftien verkentjes met elk zijn eigen bevallige wroete, met elk zijn paar nuchtere kijkers, elk zijn eigen twee klutsende oorlappen en een lang uithangend wormsteertje, dat volgde al slingeren al waar ze liepen.

Nog in 't ongerief van krachten, begaven hun lamme pootjesin den loop, en ze zwemelden, de eerste dagen, over end'weêr lijk dronken lammelingskes, bevende en daverende in die nieuwe lucht.

Zoolange de dag leed, lagen ze, onder een aanhoudend geronk van korte snorktuitjes, hun eigen wellustiglijk te kloesteren, dichte bijeen in de warmte die dampte uit moeders lijf, en bij 't minste geruchte renden ze, in doelloos dwaze doening, om het hok, en stuwden dan al bijeen, schuwen schuchter in een zelfden hoek; bij elke beweging teekende al het spel van hunne krakebeentjes door hun vellen overtreksel,