is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's Avonds vonden ze dan weêr elk zijn eigen plekske bij moeder, in rustelooze roeringe eerst, om 't paaien van hunnen honger, dan gaandeweg verstillend, tegeneengeklast, nog in nuttend gebaar en op eene dubbele reke; hun buikske was vol, hun hertje verlangde naar ruste, en ze sliepen allegare in, de gelukkige zorgzame moeder, wiegend met ronkenden ademtocht hare vijftien rustende kleintjes hunne ronde puiloogskes toe.

Eentje was er ten optelle, maar 't vereenlingde wepele dutske zou met de panne gekweekt, en, naar oude geplogenheid aan Gods schamelen arme besteed worden om 't welzijn van de bende.

De veertien andere werden hun koddeke met olie gewreven tegen 't afvallen; 't viel toch af bij enkelen en liet op 't vergaar van de hespen eenen korten tuit staan wikkelen tot bedied van kwalijk of welgezind zijn. Bij 't meerendeel rolde 't op tot eene schroefkrulle, lijk nen korketrekker, en bleef daar niets anders meer als de mate slaan van iederen stap.

Zoo groeiden ze op, dag aan dag, onder moeders wakende ooge, totdat ze door 't verloop van den tijd, van viggentjes werden tot loopertjes en van loopertjes tot bevallige schoudertjes.

Dagelijks werden hunne bakken meermaals volgegoten met eene zure roggemeelpap of andere smakelijke kloerie van doomende eerdappels en geweekte brokkelinge; daar plonsden ze dan elk zijnen gulzigen snoet in en zijn voorpooten; moeder tord gezapig achteruit, en ze aten en smekten en vischten achter de beste brokken,