is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eindelijk ferm te nijpen in de bijtende zonne. Waar ging dat nu eigenlijk naartoe ?

Tusschen de gerren van de kooie zagen ze dewijdstrekkende velden en de boomreken, die voorbij trokken de eene na de andere onder den hoogen hemel, en na lange, lange schommelen over den steenweg, merkten ze dat er werden meer en meer huizen te staan totdat ze ten langen laatste tusschen eene dubbele reke woonsten rolden die aaneenhielden en waar de karre een eendelijk geruchte miek.

Nog een klein eindewegs verre, en ze stonden.

Weerom dat ongenadig sleuren aan ooren en steert, en terwijl ze in den slachter zijne armen, al tieren op vasten grond landden, kregen ze t bewustzijn dat ze waarachtig voor geen springen gemaakt en waren.

Met veel kletsen en slagen op hun vel, na veel tegenschormen en onwillige koppigheid werden ze te gare gedreven in een oud stinkend kot waar er nog van hunne soorte gezeten hadden. Al t beloop dat ze nu nog hadden was een morsige vuile mesthoop met een berdelen omheining.

De kennis was gauw gemaakt met dien nieuwen t huis, 't stoorde er bekoorlijk lekker naar den rottenden mest, 't lag er onziende en smerig, en dat was van hunnen tand; 't zou hier 't een en 't ander te smekken vallen; zoo lagen ze, na de eerste verkenninge, daar ze niets anders meer te doen en hadden, gebroederlijk nevens malkaar en sliepen hunnen gezonden slaap de gansche ronde nacht.