is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewuste en onbewuste in mij, een verlangen lijk 't wenden van den bloemkelk naar den lichtglans, een zoete wee om me heim te weten weêr in al het overheerlijke der lieve lentedagen, zoeter voorsmaak dan 't genieten zelf.

Licht schoof het werk en lustig door mijne handen: een zegen zulke werk en dat ik immer liefheb om de gemeenzaamheid en al 't gedurig verkeer met den wasdom en den bloei van alles wat keent en groent en bloeit en vruchten draagt, in den milden akkergrond; om den veien geur der vruchtbaarheid, om 't aanschouwen in genot van den welvaart en 't bedijgen van alles wat ik zelf aan de eerde heb bevolen, begaan en bezorgd, besnoeid en besneden.

*

* *

In 't najaar had ik de kliesters of bloembollen van mijne zweerdleliën uit den grond gedolven, waar ze den zomer lang milde hadden gebloeid al wat ze maar bloeien konden en geschetterd met al de verwpracht van hunne gloedroode kelkrijen.

Nu lagen ze daar, moegedregen en tendengebloeid, uitgeput voor dezen keer, op een tamelijk grooten hoop.

Te groen waren ze nog van lisch en, om ze tijd tot rijpen te laten, had ik ze binnen onder 't glas gebracht en neergelegd op eene lage oudversleten huidevettersmul van eikenschorse, gansch verteerd en verworden tot iets als mulle heigrond. Den winter dóór hadden ze er gelegen en nu had ik er me toe gezet om ze te kuischen en te verlezen : het lisch plooschte ik af, de oude uitgediende kliesters werden geweerd en de drie vier versch