is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het giftwalmende, gistende goor waarin gij woekert; gij kind van de klamkoude duisterheid der nacht in de onderaardsche gewelven, waar ge 't helder daglicht vlucht; weerzinwekkende uitbloei van rottende vuilnis waarin gij ploetert; onnuttig, onedel, verwe- en vormeloos, in 't ongerief van middelen zelf tot schaden: met pooten te onhandig, te traag en te zwak om meer als over den grond te krevelen, of om uw te groot en te plomp lijf te heffen uit alles wat het schepselendom met walg van hem wegwerpt; met in uwe oogen de triestige uitdrukking van al de onbewust domme dwaasheid bijeen ; met stomheid voor alle geluid, met, voor alle macht, eene taaiheid tot het uitzien van lange en veel slagen, met voor verweer de stramheid, van de " klei uit het dal „ en die u 't tijdelijk vluchten belet; en daar nog de koppigheid bij van al wat immer dwaas hiet.

Wat kunt ge beter, zoo meende ik medelijdend, dan schuw uw schenen te rekken en den aanblik te vluchten van alles wat leeft, en 't louter licht te zuiveren van uw aanzijn ; gaat en verdwijnt, latend uw wezen vergeten, tusschen puine en greis, in de kankergaten van rotse of steen.

Blijft daar en 'n roert niet meer uit, want wat is er in u om uwe afzichtelijkheid te vergoeden, gij verstekeling, veronrechte schamele onderling van de schatrijke natuur.

Zoo ging mijn gepeis, en middelerwijl lag ze waar ik ze laten vallen had, geschoord tusschen twee brokken eerde, overeinde en deerlijk in den angst om haar om te draaien, met haren bleeken buik omhoog en met hare vier open-