is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders geworden. De drukte van vroeger, het hellemend gelach onder de bladergewelven, het ronken van den hoorn, het getrappel van peerden, 't geblaf van zijn weerga, het blijde geroep van de jagers, dat alles was geworden voor Sam als een bekoorlijk vertoog uit lang verleden dagen. Nu was het stilte alom en rust, stille rust altijd; uitgeweerd het gemoedelijk geneun van koeien en 't gezang van vogels, 'n was er daar weinig

meer of geen geruchte.

Het huis stond er jaar uit jaar in, van den morgen tot den avond, in zijn doodsche alleenigheid. Over winter, als de loovervoorhang weggevallen was, stond het naakt, t'aanschouwen voor ieder oog, met al zijne stalgebouwen en bijbehoorten, vereenzaamd en verlaten

in het grauwe ontbladerde hout.

Des zomers kroop het weg in 't herte van zijn veelverwig boomvlies en zat het uit te kijken, tendenuit zijn lange beukendreven met een klein stukje wit van zijn gevel, daar waar de stammen dicht aaneen staan en de kruinen schijnen te groeien vast in malkaar. Van buiten bezien, lag het steuren ontoegankelijk, biedend met zijn dichtbelooverd houtgewas de norsche uitwendigheid van een diepe woud. Aan beide kanten sliepen de ongerepte vijvers in hun overjaarsch blonde meerenriet, en met de groene vlaken erop en de droomerige knoppen van gele en witte waterleliën. De hemel boogde daarboven, en, wel viel daarop het regelmatig afgetelde gaan en keeren van dag en nacht, van goed en slecht weêr, maar het slot bleef altijd het slot, bedolven in zijn boomen. Midden in de neerstigheid op de ommeliggende kouters, het nijverig