is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lange weg: die groote mensch daar bleef toch in zijne ruste en 't bleef al in zijn ruste.

Knap ! dei ze. Maar met dien knap sloeg haar iets zoo verwoed nijdig, zoo zwaar nijpend, zoo onbermhertig drukkend en pletterend in de ribben dat ze meende de geheele wereld stortte ineen met éénen slag op dat ééne plekske van haar ruggebeen. De koperen veere, nipte gespannen en verraderlijk liggende op wacht tot ze slaan kon, sloeg! Haar gulzige bete in den kaas had het vasthoudtje losgewipt, en lijk een weerlicht kwam het ijzeren slag neer en bliksemde 't klein asemtje leven uit

haar schamel muizebalgske.

*

* *

Het kriekende daglicht, dien laten wintermorgen, kwam schuchter binnengekeken door de spleten der vensterluiken, vaalgrijs in 't zwarte van den verregaanden nacht, en de klaarte hing te wachten buiten voor ieder venster om ijlings bij volle stroomen bin te breken als men 't openen zou. Overal op, op boeken, tafel, stove en stoelen, op huisraad en schilderijraampjes langs de wanden werd het duidelijk te zijn dat een nieuwe dag weerom aan 't dagen was. En 't viel ook een striepke klaarte op den vensterbank, nauw genoeg om te laten zien dat het vreeselijk nijdig, het doodende plankvalletje binst den nacht was toegeslegen, en och arme ! 't muizeke zat erin. Dood lag het, stokkedood; met niet één vlekje bloed op geheel zijn glimmende vacht, immers had hem de grimmige springvere in zijn middel gebeten, en met eenen gruwelijken genadeslag door de ruggrate geslegen,