is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krioelde 't van opstekende andekopkes en wikkelende andelijvekes, eene wemeling dooreen van geluw en zwart.

Kwêk „ zei ze nog eens, en ze tord vooruit, bezorgde, beangstigde moeder nu, en de bende wriemelende kiekskes met een schuchter schaarschgeboren piepke al dooreen, hobbelde en robbelde vooruit over eerde en gers en takken den berm neer in 't water, veertien in 'nen trop, en ze bleven daar liggen bovenzwemmen,

roeiende met elk zijn paar kleine pootjes, lijk zooveel bollekes kork, en wachten tot dat moeder van stapel gegleden was;

dan vooruit, links en rechts, weêre en weg, liepen ze over 't water, daar ze elk hun twee schreefkes op schreven, uitloopend van aan hun borstje aan weerzijden weg, kleine speurkes al door elkander en in 't groote speur dat moeder achterliet.

" Kwêk! „ zou ze zeggen, van nu voort een kriepende " kwêk! „ uit verlegene bezorgdheid om haar rusteloos onbekommerde kroost, dat, nog onbekend met de wereld, hem waagde in alle hoeken en kanten, en der woekerden toch zulke vreeselijke ratten, in de uitgemolmde gaten aan den oever, " kwêk! „ zei ze gedurig en ze schrikte op en tierde ze allemale bij, van zoo ze iets geware werd ; ze vaarde met hare kudde op en neêre den wal en zag er hare zusters liggen in 't eigenste geduldig verbei, hier end' daar in 't hout.