is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekwoak en langgerekte ratelreken. De eene zaten te rotelen gezapig zwaar, andere rekten hun nijdig licht en moedwillig schreeuwen, om wie 't luidst en stoorend de wijde stilte, elk zoo hij gebekt was.

En dan, wanneer de kelen uit waren, lag, zonder meer, hun samenzang plotselings dood en viel de stilte weer in van den nakenden avond.

Stil was 't anders en ongeroerd overal, eene stilte van heete zomergloeien; stil was 't over 't effen water, stil in de hooge boomen, stil over het land, tenzij dat er een gegons in de lucht hing als van zingende zonnewarmte.

't Werd weêr een teeken

gegeven, en elk begon op een nieuw. Ze rekkebeenden, daar 't hun verveelde, en scharrelden al buitelen over de koppen van hunne maats, plompten in dat het speersde, en kwamen dan met hunnen kop weêr boven zitten en hun deel doen aan 't afspinnen van hun reilende

avondgetijden.

— Heet! jongens, kwekte de vóórpuid, vlammend heet! 't is een lastig, een bateloos reizen bij zulk eene hitte ! de grond splijt; hij ligt en bakken lijk steen in de zonne. De wormen zitten twee voet diepe in den grond, en 't ligt al platgeschoren dat ievers op stam stond. Een gevaarlijk reizen is 't; de stoppels staan hard en de voren