is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun zomerverblijf. En musschen! musschen! 't vloog overal vol met die eeuwig krakeelende rakkers.

Evenmin als de spreeuwen en al 't ander echt inlandsche volk wilden ze 's winters van een voortgaan weten. Landgetrouw en huisvaste bleven ze hier om te dieven en te plunderen, in vluchten zonder tal, op hof, schelf en schuren. Ze hadden hen ook in Maarte laten beetnemen door 't liegen van de zon, en gemeend al dat het zomerde. Veel hadden ze ten anderen niet vandoen om hun klein klutske musschenverstand kwijt te geraken, daar sloeg hun zoo med'een het zotte in den kop. Bot vierden ze hunne ongemanierde schurdigheid van straatgoedje dat ze zijn. En 't was een koersen geweest, al vechten door de lucht, zesse zeven bij malkaar, al scheren door hagen en heesters, al tieren, zweren en schelden de eene op de andere en vechten dat er de pluimen stoven. Maar dan was die wind gekomen, dat ongenadig blazen en dien harrie. Ze zaten weggeschuild en 't was met moeite hier of daar dat er een door den regen flodderde, die nievers plaats en vond.

De meerlhaans ook, in hun geheimzinnige doening, hadden alhier den winter doorgezien, dolende achter iepen en averessche, al weemoedig piepend eenzaam in den scherpen vorst. Maar met het keeren van 't jaargetijde waren ze begonnen werven om elk hunne eega, en slaan deden ze met hunne helle tonge hunnen schuwen metaalslag, dat men 't vernemen mocht, verre en bij, hoe het paartijd was en hoe neerstig ze hunnen kanse te bate namen. Als eens de echt gezegeld was en t'akkoord geklonken, dan reisden ze van boom te boom al schelle