is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiiomas carlyle, de fransche omwenteling.

1744—74

Zoo staat liet beschreven, in de nog bestaande kroniek van het jaar 1744. Dertig jaren zijn sedert verloopen, en »>de groote vorst" ligt andermaal op het ziekbed; maar hoe is thans alles veranderd! De kerken weergalmen niet van het overdreven weeklagen, Parijs toont eene stoïcijnsche kalmte, geene snikken storen de gebeden, want, behalve de litanieën, die de priester, tegen een bepaalde som per uur, leest of zingt, zonder dat ze blootstaan aan stoornis, worden geene gebeden meer ten hemel opgezonden. Met een beklemd hart is de herder des volks \an Klein-1 rianon naar huis gedragen, en in zijn eigen slot te Versailles te bed gebracht; de kudde weet zulks, maar bekommert er zich niet om. Het i^ reeds veel, wanneer er in dien onmetelijken vloed der Fransche praatzucht (die dag aan dag niet stilstaat en slechts des nachts voor weinige uren verpoost) nu en dan van de ziekte des konings als van een nieuwtje van den dag gewaagd wordt. Ook worden er ongetwijfeld weddenschappen aangegaan, ja er zijn er zelfs, "die er luide over durven spreken op de straten." (1) Maar overigens verspreidt de Meizon hare stralen of spreidt de Meiavond zijn sluier over het groene veld en de torentoppen der stad, en de menschen nemen hun nuttige of nuttejooze bezigheden waar, alsof er geen koning Lodewijk in gevaar verkeerde.

Madame Dubarry mocht wel bidden, als zij er maar geschiktheid voorhad; ook de hertog dAiguillon, Maupeou en het parlement-Maupeou; zij, die op de liooge zetels tronen en een slaafsch Frankrijk onder hunne voeten hebben, weten wel, op welken bodem zij daar nog zijn. Zie wel toe, d'Aiguillon! gelijk gij eens \an den molen van St. Cast op Quiberon (2) en de voortrukkende Engelschen nederzaagt; gij, »die zoo niet met roem, dan toch met meel bedekt waart!" Do fortuin was immers steeds onbestendig en iedere schoft heeft nu eenmaal zijn dag.

Schier geheel verlaten, kwijnde vóór eenige jaren de hertog d'Aiguii.lon, met nog iets ergers dan meel bedekt, toen La Chalotais, de Bretagner, (3) hem niet slechts van lafhartigheid en dwingelandij, maar ook van knevelarij (concussion, afpersing, in en door zijn betrekking) betichtte: beschuldigingen, die zich door geheimen invloed gemakkelijker lieten smoren dan wederleggen; evenmin kan men 'le gedachten of zeifs de tongen der menschen aan banden leggen. Zoo moest deze achterneef van den grooten Riciielieu onder rampzalige verduistering rondsluipen, niet langer gevierd door de wereld, veracht of misschien vergeten door den beraden, maar stroeven en trotschen Choiseul. Wat blijft hem anders over, dan stil naar Gascogne te trekken, daar zijne kasteelen weer op te bouwen (4) en als eenvoudig wildjager roemloos te sterven! Intusschen merkte een jong soldaat, met name Dumouriez, op zijn terugtocht van Corsica in 1770 met smartgevoel op, hoe de oude koning van Frankrijk te Compiègne, ten aanzien van het geheele legor, te voet en blootshoofds ter zijde van een prachtigen phaeton staande, zijne hulde bewees aan — Dubarry. (5)

Daarin lag veel opgesloten! d'Aiguillon mocht ten minste de herbouwing \an zijn kasteel tot andere tijden uitstellen en eerst weer aan het herstel van zijn fortuin beginnen te arbeiden. Immers, de krachtige Choiseul wilde in Dubarry niet meer dan een buitengemeen opgetooid scharlaken-wijf zien, en zijns weegs gaan alsof zij in liet geheel niet bestond. Onverdragelijk! bron van eindelooze zuchten en tranen, van pruilen en mokken voor Dubarry, tot Frankrijk

(1 Mémoires de M. le baron db Besenvai, (Parijs 1805), II. 50—90.

'-) dAiguillon was gouverneur van Bretagne sinds 17r>IÏ en ook tijdens den Fransch-Engelsclien ooi-log van 1756—1763. De schrijver zinspeelt hier op de landing der Engelschen in 1758 te Sr. Cast, waar zij evenwel door de Bretons werden geslagen. De gouverneur was bij dit gevecht afwezig.

'Caradeuc de la Chalotais, procureur-generaal van het parlement van Rennes. Hij werd wel in de Bastille opgesloten, maar weldra vrijgelaten, toen het parlement zijn partij trok.

4) Arthuk Yoüng, Tra veis during the years 17S7—'8'.» (Hun/ si. Etlmunds 1798), i, 44.

(5) La vie et les mémoires du général Dumouriez (Parijs 1S22), I, 141.