is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1789, 17 Juli.

hof-driemanschap, messieurs van het doodgeboren ministerie-BROGi.iE en anderen, dat het zaak voor hen is om op te stijgen en weg te rijden. Vliedt, gij al te royale Broglie's, Polignac's en prinsen van den bloede! Vliedt, terwijl het nog tijd is. Heeft niet het Palais-Royal in een zijner jongste nachtelijke «heftige motiën een bijzonderen prijs (zonder de plaats der betaling te noemen) op ieder uwer hoofden gezet? Onder allerlei maatregelen van voorzorg, gedekt door kanonnen en regimenten, waarop men zich verlaten kan, spoeden Messeigneurs in den nacht van den 16den op den 17den zich allen op verschillenden weg. Niet zonder gevaar! De prins CondÉ ziet, of meent althans ruiters in gestrekten galop te zien, om hem, gelijk men vermoedt, te Pont-Sainte-Mayence in de Oise te werpen. (1) I)e Polignac's reizen vermomd. Vrienden, geene bedienden, zitten op den bok. Brogue heeft zijn eigenaardige moeielijkheden te 1 crsai/les, loopt bijzonder gevaar te Met* en Venhui, maar bereikt niettemin weibehouden Luxemburg, waar hij blijft.

Dat is de zoogenaamde eerste emigratie, waartoe het besluit schijnt genomen te zijn in een vollen hofraad, terwijl ook'zijne Majesteit er bij tegenwoordig was, die wat hem aangaat, gereed is om iederen raad te volgen. -Drie zonen van Frankrijk en vier prinsen van den bloede van St. Louis," zegt Weber, «konden de burgers van Parijs niet krachtiger vernederen, dan toen zij, uit vrees voor hun leven, schenen te vluchten." Helaas! de burgers van Parijs dulden het met — een onverwacht stoïcisme ! Trouwens, de persoon d'Artois is wel is waar weg, maar heeft hij, bij voorbeeld, ook het land Artois medegenomen? Niet eens Bagatelle, het buitenverblijf, (dat als taverne goede diensten zal doen), — nauwelijks zijne vier knechtsbroeken ; doch den broekenmaker moest hij toch achterlaten! — W at den ouden Foulon betreft, van hem hoort men, dat hij gestorven is. Er wordt ten minste een «prachtige lijkstaatsie'' gehouden, terwijl de bedienaars der begrafenis hem de laatste eer bewijzen, zoo niemand anders dat wil. De intendant Berthier, zijn schoonzoon, is noc in leven en houdt zich schuil; hij voegde zich op dien Eumeniden-Zomlag, (2) dien hij° niet veel scheen te tellen, bij Besenval, en is nu gevlucht, niemand weet

waarheen • »

l)e emigranten zijn nog op maar weinige mijlen afstands, — prins Condé is ter

nauwernood over de ü 'ise, toen Zijne Majesteit, volgens afspraak (want ook de emigranten hadden zulks voor goed gehouden), het vrij stoute waagstuk onderneemt, om Parijs in eio-en persoon te bezoeken. Met een honderdtal leden der vergadering, door weinig of geene militairen begeleid, die hij zelf bij de brug van Sèvres ontslaat, begeett zich de arme Lodewijk op weg, een wanhopend hof en een weenende koningin achterlatende, voor wie het heden, het verleden, en bovenal de toekomst zoo onvriendelijk is.

Bij de barrière van Passy overhandigt hem de maire Bailly, in groot gala, de sleutels; — spreekt hem in academischen stijl aan; — zegt, dat het een groote dag is; dat in het geval van Hendrik den Vierden de koning zijn volk veroveren moest, maar dat in dit gelukkiger geval het volk zijn koning veroverd heeft (a conquis son rot). >e zoo celukki" veroverde koning rijdt langzaam voort te midden van een stalen volk, dat of geheel zwijgt óf slechts vire Ja Nat ion roept; - wordt bij het Stadhuis aangesproken door Moreau van de drieduizend bevelen, door den koninklijken procureur Etiiys de Corny, Lally Tollendal en anderen; — weet niet, wat hij er van denken of zeggen zal; en hoort, dat hij de hersteller der Fransche vrijheid is, gelijk een standbeeld dat inen op de plaats van de Bastille voor hem wil oprichten, voor de geheele wereld zal getuigen. Eindelijk wordt hij, met een driekleurige cocarde op den hoed, op het balkon vertoond, en nu van pleinen en straten, uit alle vensters en van alle daKen, met daverenden vreugdekreet begroet. En zoo keert hij onder het vroolijk en als

(2) IK'* linneni'den' zijn de Furiën in de Grieksche mythologie. Zie omtrent dien Zondag pag. 211 en volgende.