is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loof, meer of minder, en belacht zeer onverstandig het geloof zijner voorgangers. Evenwel moet men bekennen dat het geloot aan het Contrat social tot de zonderlingste soorten van geloof behoort, zoodat een nog niet geboren geslacht het zeer terecht, zoo al niet belachelijk vinden, dan toch er zich over verwonderen en er met medelijden het oog op zou kunnen slaan. Want wat beteekent, helaas, een contrat? Wanneer alle menschen zoo waren, dat een eenvoudige mondelinge of bezworene overeenkomst verbindend voor hen was, dan zouden alle menschen oprechte menschen zijn en de regeering iets overbodigs. Niet op hetgeen gij en ik elkaar beloofd hebben, maar op hetgeen wij elkaar naar gelang onzer krachten kunnen aandoen, daarop alleen kan men in een zoo zondige wereld als de onze, rekenen. Bovenal echter geldt dit van een volk en een vorst, die elkaar iets beloven; als of een geheel volk, dat van geslacht tot geslacht, ja van uur tot uur wisselt, ooit een belofte en wel zulk een dwaze belofte zou kunnen afleggen: «Wij, de hemel zij getuige! (de hemel die echter thans geene wonderen meer doet), wij, de steeds afwisselende miliioenen vergunnen u, den steeds afwisselenden ééne, om ons te dwingen of te regeeren!" De wereld heeft wellicht zelden een geloof gezien, dat daar mede te vergelijken is.

En toch heeft de wereld de zaak toenmaals zoo begrepen. Had zij ze niet zoo begrepen, hoe geheel anders zouden hare hoop, hare pogingen en hare uitkomsten geweest zijn! Maar zoo en niet anders wilden de hoogere machten dat het zijn zoude. Vrijheid door een sociaal-contract, dat was werkelijk het evangelie van dat tijdperk. En alle menschen hadden daaraan, als aan een blijde boodschap des hemels, geloofd en met overstroomende harten en luide stemmen hechtten zij zich daaraan, en daarop staande tartten zij tijd en eeuwigheid. Neen, glimlach niet, tenzij met een glimlach treuriger dan tranen! En toch was het nog een beter geloof, dan dat welks plaats het had ingenomen; het geloof namelijk aan een eeuwigdurend niets en aan het menschelijk verteringsvermogen; lager toch dan dit kan geen geloof zinken.

Niet dat zulk een algemeen heerschend, zulk een algemeen zwerend gevoel van hoop toch eenstemmig kon zijn. Verre van daar. De tijd was onheilspellend, de maatschappelijke ontbinding zeker en nabij, de maatschappelijke wedergeboorte nog een vraagstuk, en de oplossing, hoewel ook zeker, toch moeilijk en nog verwijderd. Maar moest zij den helderzienden toeschouwer, die geen geloof had aan de eene partij of de andere, en niet in het eeuwig geharrewar van Griek met Griek in 't geheel, onheilspellend voorkomen, — hoe oneindig meer dan den royalisten, wier blik door partijzucht beneveld was, die het royalisme het palladium der menschheid achtten, voor wie met de afschaffing van het aller-christelijkste koningschap (1) en van de allerTalleyrandsche bisschoppelijke waardigheid, alle loyale gehoorzaamheid en alle godsdienstig geloof ophield te bestaan en doodsnacht de lotsbestemming der menschen omhulde! Aan mannen van een ernstig karakter en van dat geloof gaat de zaak zeer ter harte, en zij gevoelen zich aangespoord, gelijk wij zagen, tot geheime samenzweringen, tot emigratie en oorlogsverklaringen, tot monarchistische clubs, en tot nog onzinniger dingen.

Sedert eeuwen, bij voorbeeld, had men den geest der profetie voor uitgedoofd gehouden ; niettemin, in deze laatste tijden herleeft hij, gelijk immers alle laatste tijden daartoe overhellen, opdat wij zoo, onder de vele Fransche dwaasheden, ook een proefje van het dwaaste zouden hebben. In afgelegen landelijke streken, waar de straling van het philosophisme nog niet doordrong, waar de kettersche constitation civile der geestelijkheid (2) om het altaar zelf strijd verwekt, en waar zelfs de kerkklokken tot kleingeld omgesmolten worden, schijnt het klaarblijkelijk dat het einde der wereld niet

1) Zie noot 6 op pag. 85, deel I. (2) Zie noot 4 op pag. 14.