is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zeer bedenkelijken toestand verkeerd, die dagelijks nog erger wordt. De krijgstucht, die ten allen tijde een soort van wonder is en door het geloof werkt, verviel toen ten eenenmale, zonder dat er vooreerst uitzicht bestaat, dat zij zich zal herstellen. I)e gardes Fran^aises speelden een doodelijk spel, maar iedereen weet hoe zij het wonnen en de prijzen dragen. In die algemeene omverwerping zagen wij hoe de gehuurde strijders weigerden te vechten. Zelfs de Zwitsers van Chateau-Vieux, eigenlijk eene soort van Fransche Zwitsers uit Genève en het Pai/s de Vaud, blijken er tegen te zijn. Er waren er, die in stilte tot het volk overgingen; zelfs RoyalAlIemand, hoewel liet zich niet liet verleiden, verloor den moed. Kortom, wij zagen toenmaals de militaire tucht in de gedaante van den armen Besenval met diens onrustig, onhandelbaar leger, twee pijnlijke dagen op het Maartveld doorbrengen, en toen, als t ware zich hullende in den sluier van den nacht, -'langs den linkeroever der Seine" aftrekken, om elders een toevluchtsoord te zoeken, daar deze bodem blijkbaar te heet voor haar was geworden. (1)

Maar welken nieuwen bodem zal zij zoeken, welk middel zal zij beproeven? Kwartieren betrekken die nog niet '•besmet" zijn; dit en eene behoorlijke gestrengheid in den dienst was blijkbaar het plan. Ongelukkig echter zijn alle kwartieren en plaatsen, van Parijs tot het afgelegenste gehucht, met de pest des oproers besmet; men ademt haar in, zij plant zich voort door aanraking en omgang, tot zelfs de eenvoudigste soldaat er door aangetast wordt! Mannen in uniform spreken met mannen die geene uniform dragen, mannen in uniform lezen nieuwsbladen, ja schrijven er zelfs in. (2) Er bestaan openbare smeekschriften of vertoogen, geheime zendelingen en genootschappen, er heerscht ontevredenheid, ijverzucht, onzekerheid, in een woord, een ontevredene, achterdochtige stemming. Het geheele Fransche leger gist met een hitte, die niemand iets goeds voorspelt.

Staat ons dan, bij de algemeene maatschappelijke ontbinding, nog do ontzettendste soort des oproers, een soldaten-oproer te wachten ? Treurig is in alle opzichten een oproer, maar oneindig treuriger nog wanneer het zich als een militaire muiterij voordoet! Juist het werktuig zelf van orde en tucht, waardoor al het overige bestuurd en in bedwang wordt gehouden, wordt het dan het vreeselijkste werktuig van wanorde; gelijk liet vuur, onze onontbeerlijkste en nuttigste dienaar, wanneer 't het meesterschap verkrijgt en tot een algemeenen brand overslaat. Wij noemden de krijgstucht een soort van wonder, en is het inderdaad niet wonderbaar, hoe één man er honderdduizenden doet bewegen, die ieder voor zich hem misschien niet beminnen, en man tegen man ook niet vreezen, maar die hem toch moeten gehoorzamen, om te gaan werwaarts hij wil, om te marcheeren of halt te maken, om te doodèn of zich te laten dooden, als had het noodlot geproken — zoodat het kommandowoord, schier in den letterlijken zin, een tooverwoord wordt?

En nu worde dit tooverwoord eens vergeten, en de kracht daarvan gebroken ! De legioenen ijvervolle dienstbare geesten staan dan als dreigende duivels tegen u op, de vrije geordende kampplaats wordt een schouwplaats van lielsch tumult en de hulpelooze toovenaar wordt stuk voor stuk vaneen gereten. Een soldaten-oproer is een oproer met vuurwapenen in de hand; bovendien zweeft hun de dood boven het hoofd, want de dood is de straf voor ongehoorzaamheid en zij hebben opgehouden te gehoorzamen. En zoo nu ieder oproer eigenlijk waanzin is en waanzinnig werkt, met dolle vlagen van hitte en koude, daar felle woede plotseling afwisselt met panischen schrik, zoo bedenke men wat een soldaten-oproer moet zijn, bij zulk een strijd van plichten en straffen, waar de soldaat tusschen berouw en woede heen en weer geslingerd wordt, en in het oogenbük der hitte het geladen vuurwapen in de hand heeft! Voor den soldaat zclven is het

(1) 7Ae pag. 247, deel I.

(2) Zit' de nieuwsbladen van Juli 1789 (Histoire parlementaire, II, 35) etc.