is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oproer vreeselijk en misschien meestal betreurenswaardig, en toch zoo gevaarlijk, dat men het slechts haten, niet beklagen kan. Het is een geheel bijzondere menschenklasse, die arme gehuurde moordenaars! Met eene oprechtheid, die den moralist onzer dagen verbazend moet voorkomen, hebben zij gezworen machines te worden, en toch zijn°ze ten deele nog menschen. Dat geen verstandig bestuur hun deze laatste omstandigheid herinnere, maar dat het geweld en bovenal de onrechtvaardigheid dat punt niet overschrijde, waar zij terugstuiten zou. Ook soldaten worden, gelijk wij bij herhaling zeggen, oproerig, ware dit niet, zoo veel van hetgeen thans in deze wereld voorbijgaande is, zou dan schier eeuwig kunnen duren.

Behalve den algemeenen strijd, dien alle AiuMs-kinderen met hun lot hier beneden voeren, kan men de grieven der Fransche soldaten tot twee terugbrengen. Vooreerst dat hunne officieren aristocraten zijn, en ten tweede, dat zij hun in hunne soldij te kort doen. 1 wee of eigenlijk slechts ééne grief, waaruit er echter honderd kunnen ontstaan: want welk een aantal gevolgtrekkingen kan men niet uit de eerste stelling afleiden, dat de ufticieien aristocraten zijn! Het is een bodemlooze altijd vloeiende bron van grieven, om zoo te zeggen een algemeene ruwe grondstof, waaruit dagelijks de eene bijzondere giiet na de andere eene gestalte zal aannemen. Ja, er ligt zelfs een soort van troost in, dat die van tijd tot tijd gestalte zal aannemen. Verkorting in soldij ! Zij heeft gestalte gekiegen, is handtastelijk gemaakt, en men kan haar, al is het dan ook slechts in toornige woorden, ontboezemen.

Want ongelukkigerwijze bestaat de groote bron van grieven werkelijk: bijna al onze officieren zijn noodzakelijk aristocraten, het zit hun in vleesch en bloed. Naar de wet die de zaak beheerscht, kan niemand zelfs op de geringste luitenantsplaats aanspraak maken, die niet eerst tot tevredenheid van den wapenkoning bewezen heeft, dat hij een adel van vier geslachten bezit. Adel alleen is niet genoeg, maar deze moet vier geslachten oud zijn; dat is de verbetering, die, nog maar korte jaren geleden, zekere minister van oorlog invoerde, toen men hem geen rust liet met aanzoeken om officiersplaatsen. (1) Eene verbetering, die den bemoeilijkten minister wel verlichtte, maar waardoor in Frankrijk de ontzettend gapende klove tusschen burgerlijken en adellijken, ja tusschen ouden en nieuwen adel nog verwijd werd, alsof er met uwen nieuwen en ouden, en voorts met uwen ouden, ouderen en alleroudsten adel niet reeds genoeg verschil en tegenstrijdigheid bestond, — welker algemeen geraas men thans ziet en hoort, thans nu alle onderscheid op den bodem van die zonderlinge draaikolk wegzinkt, ja wegzinkt, onherstelbaar en overal wegzinkt, behalve in het militaire; en zelfs daar nog zou men kunnen vragen, of het de hoop mag voeden zich altijd staande te zullen houden? Klaarblijkelijk neen.

Het is waar, in vredestijd, als men niet vecht, maar slechts exerceert, kan de vraag, hoe men hooger opklimt, tamelijk theoretisch schijnen. Maar met betrekking tot de Rechten van den Mensch heeft zij altijd een practisch belang. De soldaat heeft trouw gezworen, niet slechts aan den koning, maar ook aan de natie. Maar zijn degenen, die het bevel over ons voeren, vrienden van de revolutie? Helaas neen, zij haten die, en houden van de tegen-omwenteling. Jonge officieren van aanzienlijke geboorte, door adeltrots opgeblazen, drijven openlijk, met eene aan verachting grenzende verontwaardiging, den spot met onze Rechten van den Mensch, als waren zij slechts een pasgesponnen spinneweb, dat weer weggevaagd zal worden. Oude, meer behoedzame officieren zwijgen stil, houden hunne lippen gesloten, maar men raadt wat in hun binnenste omgaat. Ja, wie weet, of niet onder het schoonste kommandowoord de tegen-omwenteling zelve verborgen ligt, verkoop aan verbannen prinsen en den keizer van Oostenrijk: hoe gemak-

(1) Dampmartin, Kvènemcnts, I, pag. 89.