is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDSTUK.

Bouillé te Metz.

Niets ^ an dat alles is Houillé in zijn Noord-Oostelijken kring geheel en al verborgen gebleven. Dikwerf schemert hem de vlucht over de grenzen als de laatste leidstar in zulk eene verwarring voor oogen, maar toch blijft hij waar hij is en tracht steeds het beste te hopen, wel niet van een nieuwe organisatie, maar van een gelukkige tegen-omwenteling en een terugkeer tot het oude. Voor 't overige ziet hij duidelijk in, dat juist die nationale bond, die algemeene eedzwcring en verbroedering tusschen volk en soldaten «onberekenbaar veel kwaad heeft gesticht." Zoo veel, wat vroeger in het geheim broedde, heeft hierdoor lucht gekregen en is thans openlijk voor den dag getreden. Nationale gardes en linietroepen omarmen elkaar plechtig op alle parade-plaatsen, drinken en zweren met elkaar en geven zich aan wanordelijke straatoptochten, constitutioneele uitroepingen en hoerrahs over, ongepast volstrekt strijdig met de krijgstucht. Uit dien hoofde moet het regiment Picardie hier te Met*, op het kazerneplein oprukken, om een scherp verwijt van den generaal zeiven aan te hooren, waarop het berouw betoont. (1)

Heinde en ver is, volgens de getuigenis der berichten, de insubordinatie al luider en luider beginnen te morren. Men heeft officieren in hunne eetkamers opgesloten, en hen met luidruchtige eischen, niet zonder bedreigingen bestormd. De weerspannige raddraaier wordt met een zoogenaamd geel, dat is, eerloos verlof, cartouche jaune, weggezonden; maar tien andere raddraaiers, treden in zijne plaats, en het gele cartouche wordt niet langer als onteerend beschouwd. Binnen veertien dagen of hoogstens ééne maand na dat grootsche piekenfeest bevindt zich het Fransche leger, door het eischen van achterstallige soldij, het vormen van lees-clubs, en liet bezoeken van volksgenootschappen, in een toestand, waarvoor Bouillé geen andeien naam weet dan dien van muiterij. Bouillé weet hot, gelijk maar weinigen, en spreekt uit droevige ondervinding. Een enkel voorbeeld moge voor vele dienen.

Het is nog vroeg in Augustus, de juiste datum nu niet nauwkeurig meer te bepalen, toen Bouillé, die op het punt staat om naar de baden van Aken te vertrekken, nog eenmaal op het onverwachts in de kazernen van Metz geroepen wordt. De soldaten hebben zich met geladen geweren, en terwijl zij alle officieren dwongen om daar te blijven, in slagorde geschaard en verlangen, met een veelstemmigen nadruk, hun achterstallige soldij. Picardie had berouw betoond, maar blijkt nu weêr ingestort te zijn, de uitgestrekte ruimte is opgevuld met gewapende muiters vaneen dieigend \oorkomon. De dappere Bouillé treedt op liet nabijstaande regiment toe, opent zijne hevelhebbers-lippen om te spreken, maar al wat hij teweegbrengt is een verward, half klagend, half verontwaardigd geraas en het geluid van zoo vele duizend livres, die hun wettig toekomen. Het oogenblik is hachelijk; er zijn thans ongeveer tienduizend soldaten te Metz en één geest schijnt zich van allen meester gemaakt te hebben.

Bouillé is vast als diamant, maar wat zal hij doen? Een Duitscli regiment, met name Saint, wordt voor beter gezind gehouden; maar ook Saint heeft wellicht van het gebod gehoord: gij zult niet stelen: ook Saint zal weten dat geld geldis. Bouillé begeeft zich vol vertrouwen naar het regiment Salttt, spreekt woorden van

(1) Bouillé, Memoires, I, pag. 113.