is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thomas carlyle, de fransche omwenteling. September 1790

duizenden sterk is en ieder hunner dertig patronen heeft, verlangt en verkrijgt eene bedekking, die mede marcheert! De zon is nog niet ondergegaan, toen de vrede, die zonder bloed had kunnen verkregen worden, bloedig gekomen is. (1) De muitzieke regimenten zijn in den beklagenswaardigsten toestand, langs drie routes, op marsch; uit Nancy verheft zich de weeklacht van mannen en vrouwen, de stem des geweens en der wanhoop; de stad treurt om hare verslagenen, die niet meer ontwaken. De straten zijn, met uitzondering van de patrouilles der overwinnaars, ledigen verlaten.

Aldus heeft het geluk, "dat den dappere begunstigt," onzen Bouillé, gelijk hij zelf uitdrukt, -als bij de haren" uit dat verschrikkelijk gevaar gesleept. Een onverschrokken, diamanten man, die Bouillé. Had hij in de dagen der Bastille in des ouden Broglie's plaats gestaan, misschien ware alles anders geworden! Hij heeft de muiterij en een onafzienbaren burgeroorlog gedempt. Wel niet zonder offers, gelijk wij zien, maar toch tot een prijs, dien hij en liet constitutioneele patriottisme goedkoop achten. Ja, wat Bouillé betreft, later door tegenspraak gedrongen, verklaart hij koel, dat hij dien eigenlijk tegen zijn wil en uit bloot militair plichtbesef gedempt had (2) — daar een onafzienbare burgeroorlog thans de eenige kans was. De burgeroorlog is, ja, een chaos en in iederen chaos, waar levenskracht aanwezig is, ligt ook de kiem van een nieuwe zich vrij ontwikkelende orde, maar welk een geloof is dat, dat van alle nieuwe inrichtingen Lodewijk XVI en eene monarchie met twee kamers juist die ware, die zich uit den chaos en het rijk der mogelijkheden zou ontwikkelen? Waarlijk, een spel, waar Bouillé honderd tegen één waagt! Dank veeleer ten allen tijde het geluk en den hemel, onverschrokkene Bouillé, en laat de tegenspraak haren gang gaan ! De burgeroorlog, die op het oogenblik over geheel Frankrijk ontvlamd ware, zou, de hemel weet waartoe, hebben kunnen leiden. Middelerwijl is en blijft het plicht voor ieder mensch en hoofdofficier, om brand te blusschen, waar hij dien vindt en waar hij slechts kan.

Maar men bedenke, hoe het in het opgewonden en verdeelde Parijs ging, toen de heen en weder snellende boden met zulke bedenkelijke tijdingen herwaarts kwamen! Hoog is de vreugde, maar even diep ook de verontwaardiging. De verhevene vergadering betuigt met een overgroote meerderheid van stemmen aan Bouillé haar innigen dank; even zoo luidt een eigenhandige brief van Zijne Majesteit, de stem van alle lovalen en constitutioneelen. Op het Maartveld wordt een plechtige lijkdienst (3) gehouden voor de te Nancy verslagene verdedigers der wet, waarbij Bailly, Lafayette en de geheele nationale garde, met uitzondering van de weinigen, die er tegen waren, tegenwoordig zijn. Daarbij ontbreekt het niet aan staatsie en ceremoniën, aan bisschoppelijke calico's met driekleur gordels, aan rookende cassoletfes of wierookvaten; het uitgestrekte Maartveld is geheel en al met een zwart lijkkleed behangen. Beter ware het geweest, zoo denkt Marat, in deze dure dagen al die uitgaven aan brood te besteden en het den hongerigen, levenden patriot te geven. (-1) Het levende patriottisme en St. Antoine daarentegen, dat, gelijk wij zagen, reeds eenmaal met geraas zijne winkels sloot, rotten thans te samen, »ten getale van veertigduizend," en eischen nu met luide kreten, juist onder de vensters der dankbetuigende vergadering, wraak voor vermoorde broeders, vonnis over Bouillé en het oogenblikkelijk ontslag van den minister van Oorlog Latour du Pin.

Terwijl de zaken dien keer nemen, houdt, zoo niet de minister van Oorlog Latour, dan toch de '-aangebeden minister" Necker het op den 3den September 1790 voor het beste om — "tot herstel zijner gezondheid"' — in stilte en bijna heimelijk af te trekken,

(1) Te 9 uur was, volgens Bouillé, Mémoires, pag. 158, de opstand bedwongen.

(2) Bouillé, I. 175.

(3) Dit geschiedde op 20 September.

(4) Ami du peuple (Histoirc parlementaire, VII, 59—62).