is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Monsieur en Madame en speelt »wisk" of whist. Met een geheimzinnig gelaat treedt Campan binnen en brengt eene boodschap, die hij slechts ten halve verstaat: zekere comte d'Inisdal staat gehaast buiten in de voorkamer te wachten, de kolonel deinationale garde, die dezen nacht de wacht heeft, is gewonnen, postpaarden staan voor den geheelen weg gereed, een aantal edellieden zijn gewapend en vastberaden: wil Zijne Majesteit, nog vóór middernacht, er in toestemmen om te gaan? Diepe stilte, Campan wacht verlangend naar een antwoord. «Heeft Uwe Majesteit gehoord wat Campan zeide?" vraagt de koningin. «Ja, ik heb het. gehoord," antwoordt Zijne Majesteit en, speelt voort. Een aardig liedje van Campan, meent monsieur, die wel eens geestig wilde zijn; Zijne Majesteit speelt nog steeds whist, zonder te antwoorden. .-In ieder geval dient men aan Campan toch iets te antwoorden," merkt de koningin aan. «Zeg monsieur d'Inisdal," hernam de koning, en de koningin leide den nadruk daarop, «dat de koning er niet in toestemmen kan, om zich met geweld te laten wegvoeren." — «Ik zie," zeide d'Inisdal, zich ras omkeerende, op een bitteren toon, «wij loopen het gevaar, en zullen, in geval liet mislukt, ook al de schuld moeten dragen," (1) — en verdwijnt, hij en zijn complot, gelijk gewoonlijk met dwaallichten het geval is. De koningin bleef tot laat in den nacht op en pakte kostbaarheden in, maar het kwam tot niets; in die verbitterde stemming was het dwaallicht uitgegaan.

In dat alles is weinig hoop gelegen. Met wien zal men, helaas! ook vluchten? Onze getrouwe gardes-du-corps zijn sedert den vrouwenopstand ontbonden en naar hunne steden of over den Rijn naar Coblen/z- en de uitgeweken prinsen gegaan. De wakkere Miomandre en Tardivet, (2) die beide getrouwen, hebben in een nachtelijke samenkomst met beide Majesteiten hun reisgeld in gouden louis d'or bekomen, benevens hartelijken dank van de lippen eener koningin, terwijl daarentegen Zijne Majesteit met den rug naar het vuur gekeerd stond zonder te spreken. (3) Thans zwerven zij door de provinciën rond, waar zij verhalen van de gevaren, die zij ter nauwernood ontsnapt zijn, en van de gruwelen des opstands. Ontzettende gruwelen, die echter door nog grootere in de schaduw gesteld zullen worden. Maar over het geheel, welk een verschil in vergelijking met den ouden luister van Versailles! Hier in deze armoedige Tuilerieën paradeert de brouwer Santerre, als kolonel der nationale garde, van ambtswege achter den stoel Harer Majesteit. Zij, die de hooge eerambten bekleeden, zijn allen over den Rijn gevlucht; aan het hof valt thans niets meer te winnen dan eene hoop, waarvoor men zelfs zijn leven op het spel moet zetten! Onbekende, bedrijvige lieden komen aan de achterdeuren met geruchten, oppervlakkige ontwerpen en nuttelooze pocherijen. Jonge royalisten neuriën liedjes in het Théatre de Vaudeville, indien dat maar wat baten kon! Ook vindt men royalisten genoeg, kapiteins op verlof, afgebrande seigneurs in het Café de T alois bij den restaurateur Méot. Hier blaast de een den anderen in hellen loyalen gloed, drinken zij met den wijn, dien zij zich kunnen verschaffen, op de vernietiging van het sansculottisme, toonen opzettelijk vervaardigde dolken van een verbeterd maaksel, en wanneer zij veel wagen, eten zij te samen. (4) Het is hier ter plaatse en in deze maanden, dat men don bijnaam van sansculotte het eerst op het behoeftige patriottisme toepast; tot nog toe kende men slechts Gil hert (5) Sansculotte, den armen dichter. (6) Broekeloos, een treurige ontbering, die niettemin, wanneer

(1) Campan, II, 105.

(2) Zie pag. 324, d:.l I.

(3) Campan, II, 199—201.

(4) Dampmakti.n, II, 129.

(5) Nicolas Joseph Laurent Gilbert (1757—17S9), geboren te Fontenai-le-Chateau, uit zeer arme ouders, die hem evenwel eene goede opvoeding lieten geven. Hij kwam te Parijs, waar hij zich met eenjge gedichten bij verschillende edelen vervoegde, maar overal afgewezen werd. Hij stierf op zeer ellendige wijze in het Hotel-Dien.

(6) Mercier, Nouveau Paris III, 204.