is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlaat. «Ik draag den lijkzang der Fransche monarchie in mijn hart, haar doode overblijfselen zullen thans de buit der partijen worden." Of, wat ook eigenaardigis, toen hij het kanonschot hoorde: «Wordt Achilles reeds begraven?" Zoo ook toen een vriend hem oprichtte: «Ja, ondersteun dat hoofd, ik wenschte dat ik het aan u kon vermaken!" Immers, de man sterft, gelijk hij geleefd heeft, zich zelfbewust, en bewust dat een geheele wereld het oog op hem gevestigd houdt. Hij ziet naar buiten op de jonge lente, die voor hem nimmermeer zomer zal worden; de zon is juist opgegaan, hij zegt: Si ce n'est pas la Dieu, c'est du moins son eousin germain" (1) — De dood heeft de buitenwerken overmeesterd, het spraakvermogen is weg, slechts de citadel, het hart, houdt nog stand; door teekenen verlangt de stervende reus vurig naar pen en papier, schrijft zijn hevig verlangen naar opium, om een einde te maken aanzijn smarten. De arts schudt bedroefd het hoofd; dormir, »oin te slapen," schrijft hij, terwijl hij er hartstochtelijk op wijst. Zoo sterft een gigantisch heiden en titan, blindelings, onverschrokken tuimelt hij in 't graf. Te half negen ure des morgens zegt de arts Petit, die aan den voet van het bed staat: «11 ne souffre plus. — Zijn lijden en zijn werken is thans geëindigd."

Ja, zwijgende patriotten, volk van Frankrijk, deze man is u thans ontrukt. Eensklaps is hij gevallen zonder buigen, totdat hij brak, gelijk een toren valt, die door den bliksem getroffen wordt. Zijn woord zult gij niet meer hooren, zijne leiding niet meer volgen. Diep geschokt gaat de menigte uiteen en verspreidt de treurige mare. Hoe treffend is toch de verkleefdheid der menschen aan hunne souvereinen! Alle schouwburgen en openbare plaatsen van vermaak worden gesloten, er mogen geen vroolijke bijeenkomsten gehouden worden, het volk dringt binnen in besloten danspartijen en beveelt streng, het dansen te staken. Van zulke danspartijen kwamen er blijkbaar maar twee aan 't licht, en deze moesten ophouden. De sombere stemming is algemeen, nooit heerschte er in deze stad zulk eene droefheid om een enkelen doode, nooit, sedert den nacht, waarin Lodewijk XII (2) stierf, en de crieurs des corps, met hunne bellen luidende, door de straten gingen en uitriepen: »Lc bon roi Louis, père du peuple, est mort! — de goede koning Lodewijk, de vader des volks, is gestorven!" (3) Koning Mirabeau is thans de koning dien men verloren heeft, en men kan met weinig overdrijving zeggen dat het geheele volk om hem treurt.

Drie dagen lang heerscht er algemeen een stil weeklagen; in de nationale vergadering weent men zelfs. Alle straten zijn vol droefenis, op de hoeksteenen staan redenaars, die voor een zwijgende menigte lijkredenen op den overledene houden. Geen koetsier rijde te snel door deze groepen, men zou de wagenstrengen doorsnijden, hem zeiven en zijne passagiers als onverbeterlijke aristocraten in de goot kunnen werpen. De hoeksteen-redenaars spreken gelijk het hun gegeven is, het sansculottische volk, met zijn woeste ziel, luistert — gelijk men naar eene rede of sermo luistert wanneer zij werkelijk een gesproken woord is, dat iets beteekent, en geen nietsbeteekenend gebabbel. De oppasser eener restauratie in het Palais Royal maakt de opmerking: «Mooi weder, monsieur." «Ja, vriend," antwoordt de oude geleerde, «zeer mooi weder; maar Mirabeau is dood." Ook komen er schorre klaagliederen uit de keel der liedjeszangers, die op grijs papier voor één sou het stuk worden verkocht. (4) Maar onmetelijk is de vloed van gegraveerde, geschilderde, gebeeldhouwde, en geschreven portretten, van lofredenen, herinneringen, levensbeschrijvingen, ja van vaudevilles, drama's en melodrama's, die zich in de eerstvolgende maanden over alle provinciën van Frankrijk verspreiden. Ook mag, opdat er een zweem van het koddige

(1) Fils adoptif, VIII, 450. Journal de la maladie et de la mort de Miraheav, par P. J. G. Cabanis. (Parijs 1S03J.

(2) 1498—1515.

(3) Hénault, Abrer/e' Chrouologique, pag. 429.

(4J 1 ils adoptif, N III. I. 10. Nieuwsbladen en uittreksels Histoire parlementaire, IX. 366—402.'