is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maubourg, (1) zijn haar te gcmoet gereisd; de beide eerstgenoemde rijden naast de Majesteiten in de berline zelve dag aan dag. Latour, niet meer dan een algemeen geacht man van wien alle menschen goed spreken, kan met mevrouw Tourzel en de soubrettes achteraan rijden.

Zoo is dan op Zaterdagavond omstreeks zeven ure Parijs bij honderden en duizenden weer op de been; thans danst het niet den driekleurigen vreugdedans der hoop, ook nog niet den furiëndans van haat en wraak; het wacht stilzwijgende met den gespannen blik der verwachting en der nieuwsgierigheid. Een plakkaat van St. Antoine heeft dien morgen ter algemeene kennis gebracht, dat »wie Lodewijk hoont, geslagen — wie hem toejuicht, opgehangen zal worden." (2) Ziet, daar is eindelijk de nieuwe wonderbare berline, door eene zee van blauwe nationale gardes, met opgestoken bajonetten, omstuwd, die met de berline in haar midden langzaam door de zwijgende honderdduizenden trekt. Drie gele koeriers, met strikken gebonden, (3) zitten boven op; Pétion, Barnave, Hunne Majesteiten, benevens zuster Elisabeth en de kinderen van Frankrijk zijn binnen in gezeten. '

Een verlegen glimlach of een wolk van somber verdriet teekent zich op het breede, phlegmatieke gelaat van Zijne Majesteit, die aan de verschillende beambten steeds verklaait, hetgeen blijkbaar is: «Eh bten, me voila; nu, daar ben ik immers," en wat niet zoo blijkbaar is: »Ik verzeker u, dat het mijn voornemen niet was om over de grenzen te gaan, enzoovoorts: woorden, die voor dien armen koninklijken man zoo natuurlijk waren, maar die de welvoegelijkheid liever met een sluier zou bedekken. Hare Majesteit zwijgt inet een blik van grieve en verachting, ook zoo natuurlijk voor die koninklijke vrouw. Zoo stommelt en strompelt de smadelijke koninklijke optocht door een aantal straten voort, te midden van een zwijgend starend volk, naar de meening van Mercier (4), niet ongelijk aan eene procession du roi de basoehe (5), ofwel, gelijk een optocht van koning Crispin (6) met zijne hertogen van de leest en alle koninklijke blazoenen van het lappers-gild. Met dit onderscheid echter, dat deze optocht niet komisch neen, maar komisch-tragisch is, met geboeide koeriers en het noodlot dat daarboven zweeft, uiterst fantastisch, doch eene allertreurigste werkelijkheid. Het deerniswaardigste flebile ludibrium (7) eener pekelharingtragedie! Daar sluipt hij op een stoffigen zomeravond in een alles behalve majestueuse praal door een aantal straten, geraakt ten laatste uit het gezicht en verdwijnt in het paleis der Tuilerieën tot zijn vonnis van langzame marteling, peine forte et dure.

Het gemeen maakt zich wel is waar meester van de drie geboeide gele koeriers en wil ten minste deze vermoorden. Maar onze hooge nationale vergadering, die in dit gewichtig oogenblik zitting houdt, zendt afgevaardigden af te hunner verlossing, en alles wordt gesust. Reeds is Barnave, «geheel met stof bedekt," in de zaal der vergadering en deelt een kort, bescheiden verslag mede. Inderdaad heeft ook deze Barnave gedurende de geheele reis zeer veel bescheidenheid en medegevoel aan den dag gelegd, en zich het vertrouwen der koningin verworven, wier edel gevoel haar steeds zeide, wien zij vertrouwen kon schenken. Niet aldus de zware Petion, die, zoo Campan de waarheid zegt, zijn luncheon in de koninklijke berline nuttigde, geheel op zijn gemak zijn wijnglas vulde, de afgekloven hoenderboutjes

(1) Mane Charles Cösar Fay, graaf Latour-Maubourg (1758—1831) was door de sénéchaussée van Fuy naar de btaten-Generaal afgevaardigd. Hij emigreerde later met L.afavette, in wiens le^er lui maréchal de camp was. Na de restauratie was hij lid van de Kamer der pair*'

(2) Dulaure I, pag. 4Ö7.

(3) Dit wordt ontkend door Dulaure, die, hoewel toegevende, dat zij beschimpt werden, zegt dat zij niet gebonden waren en zich beroept op het getuigenis van twee der drie gardes-du-corps Valorv €ii Moustier. r J

(4) Mercier, Nouveau Paris, III, 22.

(5) Zie over de basoehe noot 2 op pag. 143, deel I.

(t>) De patroon der schoenmakers.

(7) Betreurenswaardige bespotting.