is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thomas carlyle, de fransche omwenteling. Aug.-Sept. 1792

op de oppervlakte ook schijne, zij rust toch, als men dieper doordringt, allerwegen op een vreeselijken grondslag, en Pan, (1) bij wiens spel de Nymphen dansen, houdt een kreet in zich besloten, die allen tot waanzin kan drijven.

Hoogst ontzettend is het wanneer een volk zijn maatschappelijke instellingen en verordeningen, die een lijkdoek voor hem geworden zijn, verscheurt, en transcendentaal wordt en nu zijn woesten weg zoekt door nieuwe en chaotische — waar de kracht nog niet gescheiden is in het gebodene en verbodene, maar deugd en misdaad nog ongescheiden heerschen — in dat rijk der zoogenaamde hartstochten, wat wij noemen het rijk der wonderen en verschrikkingen! Als zoodanig hebben wij in dit derde deel onzer geschiedenis Frankrijk gedurende de drie volgende jaren te beschouwen. Het sansculottisme, dat in al zijne grootheid en in al zijne afzichtelijkheid heerscht; het evangelie (de Godsboodschap) van de rechten, van de machten van den mensch nog eenmaal onweerlegbaar alom gepredikt, en te gelijk daarmee, en voor het oogenblik nog veel luider, de vreeselijkste duivel-boodschap van de zwakheid en de zonden van den mensch. En dat alles op zulk eene schaal, onder zulken aanblik : de omwolkte geboorte eener wereld uit den doou, ontzaglijke wolken van rook, hier als met de stralen des hemels doorweven, ginds als met hellevuur omgord! De geschiedenis verhaalt ons veel, maar wat heeft zij ons in het laatste tiental eeuwen en langer verhaald, dat daarmede te vergelijken is? Vertoeven wij dus, o lezer, een tijd lang iriet belangstelling bij dit schouwspel en trachten wij aan zijn oneindige beteekenis datgene te ontleenen, wat onder de tegenwoordige omstandigheden voor ons dienstig is.

Het is te betreuren, doch zeer natuurlijk, dat de geschiedenis van dit tijdvak over het geheel zoo in stuiptrekkingen geschreven is. Zij vloeit over van overdrijving, verwensching, gejammer en in t algemeen van duisternis. Maar juist zoo schreeuwde, toen het bedorven oude Rome van de aarde weggevaagd moest worden en de volkeren van het Noorden, en andere vervaarlijke zonen der natuur, kwamen aanstormen, vormen verslindende, gelijk thans de Franschen — juist zoo schreeuwde, zeggen wij, het bedorven oude Rome met de luidste verwenschingen, zoodat de ware gedaante van vele zaken voor ons verloren gegaan is. Attila's (2) Hunnen hadden armen van zulk eene lengte, dat zij een steen opbeuren konden zonder zich te bukken. De vloekende Romeinsche geschiedenis laschte een letter in den naam der arme Tataren, en zoo blijven zij tot op den huidigen dag Tartaren, van wreeden, Tartaarschen (3) aard. Op dezelfde wijze wordt men ook hier, hoe ingespannen men ook de veelvuldige Fransche gedenkschriften onderzoeke, maar al te dikwerf in duisternis gehuld of door volslagen uitzinnigheid het spoor bijster. Men kan zich schier niet verbeelden, dat de zon in die Septembermaand, evenals in alle andere, scheen. En toch is het een onbetwistbaar feit, dat de zon werkelijk scheen en dat er weer en werk was, ja wat dat betreft, een zeer slecht weer voor hot oogstwerk ! De arme geschiedschrijver dient het uiterste te doen, en bij dat al nog toegevendheid te vragen.

Het zou een wijs Franschman geweest zijn, die, het woeste schouwspel van nabij gadeslaande, hoe geheel Frankrijk op nieuwe, onbeproefde wegen voortholde en tuimelde, had kunnen onderscheiden, waar eigenlijk de hoofdbeweging lag, welke strekking toenmaals de richtende en de heerschende was. Maar na verloop van vierenveertig jaren is het anders geworden. Thans kan men in die September-warreling duidelijk genoeg twee hoofdbewegingen of groote strekkingen onderscheiden: den onstuimigen vloed naar de grenzen, en het razend snellen naar stadhuizen en raadzalen binnenslands. Frankrijk stormt in wanhopende doodsverachting naar de grenzen, om zich tegen vreemde dwingelanden te verdedigen, snelt naar de raadzalen en kiesvergaderingen, om zich

(1) De Grieksche god, beschermer der herders en kudden, behoorende tot de zoogenaamde chthonische godheden.

(2) Zie noot 3 op pag 41, deel I.

(3) De Tartaros, de onderwereld in de Grieksche mythologie.