is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

september.

tegen inheemsche aristocraten te weren. Op die beide hoofdbewegingen, en wat zijstroomen en draaikolken daarmee verbonden zijn, gelieve de lezer wel te letten. Ook bedenke hij, of bij zulk een plotselinge schipbreuk van alle oude autoriteiten, die beide hoofdbewegingen, op zich zelve reeds half uitzinnig, van zachten aard konden zijn?

Alzoo de dorre Sahara-woestijn, als de winden zijn ontketend en de matelooze zandmassa's opheflèn en dooreen warren. De lucht zelve (gelijk de reizigers zeggen) is grauw zandig en grauw daardoor heen doemen op de wonderlijkste wijze dooreenvliegende kolonnades van zandzuilen, warlend bruisend van alle zijden, gelijk zoovele dolle dansende derwischen, van een honderd voet hoog, die daar hun monster woestijn-wals dansen.

Doch in alle menschelijke bewegingen, al waren zij slechts één dag oud, is orde of het begin van orde. Men neme twee zaken in aanmerking in deze Sahara-wals van vijfentwintig millioenen, of liever slechts ééne, en de hoop op een tweede: de commune (municipaliteit) van Parijs, die reeds hier is, de Nationale Conventie, die binnen weinig weken er wezen zal. De insurrectionaire commune, die zich op den avond vóór den 10den Augustus constitueerde (1) en deze eeuwig gedenkwaardige verlossing door een geweldige losbarsting bewerkte, moet noodzakelijk heerschen, totdat de Conventie bijeengekomen is. Deze commune, die terecht een uit zich zelf ontstane of geïmproviseerde commune genoemd wordt, is voor het tegenwoordige de souverein van Frankrijk. Hoe kan ook de Wetgevende Vergadering, die haar gezag van het oude afleidt, thans, nu het oude in den opstand uiteenbarstte, nog eenig gezag hebben? Als een drijvend stuk van een wrak kunnen zekere zaken, personen en belangen zich nog aan haar klampen, vrijwilliger-verdedigers, juist op marsch tegen Brunswijk, schutters of piekeniers in groene uniform of met roode nachtmutsen op (bonnet rouge), defileeren dagelijks voor haar, zwaaien hunne wapenen altijd met een zweem van Leonidas (2)-welsprekendheid, of met een vuur van vermetelheid, dat zelfs Herodes in de schaduw dreigt te stellen, en de galerijen, maar «vooral de dames kunnen niet genoeg toejuichen." (3) Men kan adressen van deze of gene soort ontvangen en beantwoorden, zoodat geheel Frankrijk het hoort; als plaats van afkondiging is de Salie de Manége nog altijd van nut. Tot dat einde ook dient zij thans hoofdzakelijk. Vergniaud houdt geestopwekkende redevoeringen, doch altijd slechts in een profetischen zin, op de aanstaande Conventie duidende. »Onze nagedachtenis moge vergaan, wanneer Frankrijk slechts vrij wordt," roept Vergniaud, en allen springen op en antwoorden juichend : vJa, ja, périsse nolre mémoire, pourvu que la France soit libre!" (4) De ex-Capucijner Chabot bezweert den hemel, dat wij ten minste «van koningen verlost mogen zijn," en nog eenmaal ontvlammen allen, gelijk het kruit onder een vonk, en juichen en zweren onder het zwaaien der hoeden: *Oui, nous le jurons, plus de roi.r' (5) Als wijze van proclamatie is dat alles zeer goed.

Dat overigens onze bedrijvige Brissot's, onze strenge Roland's, mannen die eenmaal macht bezaten en thans hoe langer hoe minder aanzien krijgen, mannen die de wet beminnen en zelfs willen dat eene uitbarsting zoo veel mogelijk volgens regels uitbarste, dezen toestand van zaken als onofficieel en onbevredigend beschouwen, kan niet geloochend worden. Zij doen klachten hooren en stellen pogingen in het werk, maar vruchteloos. De pogingen stuiten terug en zij moeten er van afzien, uit vrees voor iets ergers; de schepter is eens en voor altijd van de Wetgevende Vergadering geweken. De arme Wetgevende Vergadering (zoo hard was haar lot), had zich, gelijk Andromeda, laten boeien en aan de rots smeden en kon slechts weeklagend hemel en aarde aanroepen;

(1) 7Ac pag. 298, deel JI-

(2) De Spartaansche koning, de verdediger der Thermopylen, bekend door zijn lakoniek antwoord aan de Perzen.

(3) Moore, Journal, I, 85.

(4) Histoire parlementaire, XVII, 467.

(5) Histoire parlementaire, XVII, 437.