is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzinnen kunnen. Velen zeggen ook : verbanning, iets minder dan de dood. De weegschaal dobbert heen en weer, niemand kan nog zeggen waarheen. En daarover brult het bezorgde patriottisme en is door geen gezag tot rust te brengen.

Bij het woedend brullen van het patriottisme zeggen de arme Girondijnen, ten minste velen hunner: dood, het treurige woord door korte drogredenen stavende (motivant). Vergniaud zelf zegt: dood, dien door drogredenen motiveerende. De rijke Lepelletier" St. Fargeau (1) had tot den adel en later in de constituante tot de patriottische linkerzijde behoord, en daar en elders niet weinig tegen de doodstraf gesproken en gerapporteerd. Niettemin zegt hij thans: dood, een woord dat hem duur zou kunnen te staan komen. Manuei, stond in de laatste maand Augustus stellig op de zijde der vastberaden patriotten, maar sedert September en de Septembertooneelen is hij steeds dalende en teruggaande geweest. Hier in de Conventie vooral kan geen woord dat hij sprak gunst vinden; thans zegt hij: verbanning, en verlaat in stommen toorn voor immer de plaats. Philippe Egalitè stemt op eer en geweten voor den dood, (2) waarover zelfs liet patriottisme het hoofd schudt, en een morren en huiveren loopt door de zaal. Robespierre's stem kan niet twijfelachtig zijn, zijne rede is lang. (3) Men ziet de gestalte van den scherpen Sieyes opklimmen, nauwelijks vei toevende, slechts in het voorbijgaan zegt de gestalte: »La mort sans phrase," en klimt weer af. Als spoken in het middernachtsuur!

En toch, indien de lezer meent dat het geheel een droevig, treurig of slechts ernstig karakter draagt, dan vergist hij zich grootelijks. De oppassers van de Conventie in den omtrek van den Berg zijn als de oppassers eener loge in de opera: zij openen en sluiten de galerijen voor bevoorrechte personen, voor EgalitÉ's maitressen en andere zwierig gekleede vrouwen van aanzien. Galante afgevaardigden gaan af en aan, onthalen op ijs en allerlei ververschingen, onder gekout; de zwierig getooide hoofden knikken ten dank; eenige harer hebben kaart en spelden en stippen ja en neen aan gelijk bij rouge et noir. Wat verder naar boven heerscht moeder Duchesse met hare ongeblankette amazones, die men niet beletten kan in haha's los te barsten, wanneer de stemming niet is la mort. Op deze galerijen wordt wijn en brandewijn gedronken, als in eene openbare kroeg, en pleine tabagie. In alle koffiehuizen in den omtrek worden weddenschappen aangegaan. Maar binnen in de zaal is vermoeidheid, ongeduld en de uiterste langgerekte verveling op ieders gelaat te lezen, slechts nu en dan eens opgehelderd, al naar de kansen van het spel. Leden zijn in slaap gevallen, oppassers komen hen wekken om te stemmen; anderen berekenen, of zij nog tijd hebben om haastig te gaan eten. Gestalten verrijzen, bleek als spoken, bij het sombere licht en spreken slechts één wooid van de tribune: Dood! Tont est optique, zegt Mercier, alles is als eene optische schaduw. (4) Ver in den Donderdagnacht, toen het stemmen reeds afgeloopen was en de secretarissen de stemmen optelden, komt spookachtiger dan alle anderen, de zieke Duchütel, in een zetel gedragen, in doeken gehuld, om voor genade te stemmen. Een enkele stem, meent men, kan beslissen.

Doch neen! In de diepste stilte moet de voorzitter Vergniaud met een smartelijk bewogen stem zeggen: «Ik verklaar, in naam van de Conventie, dat de over Lodewijk Capet uitgesprokene straf de dood is.'' De dood, door een kleine meerderheid van drieënvijftig stemmen. Ja, indien men zekere zesentwintig stemmen, die dood zeiden,

(1) Zie pag. 67, deel II.

(2) PhiUppe Egalité zeide o. a.: «Alleen denkende aan mijn plicht, overtuigd, dat allen die een aanslag hebben gepleegd en in het vervolg een aanslag zullen plegen op de souvereiniteit des volks den dood verdienen, stem ik voor den dood."

(3) Hij eindigde o. a. met de woorden : "Ik ben onmeedoogend voor de verdrukkers, omdat ik medelijden heb met de verdrukten; ik ken geen raensehelijkheid, die de volken vermoordt en den despoten vergiffenis schenkt; ik stem vóór don dood."

(4) Mercier, Nouveau Paris, VI, lóO—159; Montgaillard, III. 348—387: Moork, etc.