is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kortom, is het niet, o lezer, een der merkwaardigste vlammende beelden, dat ooit op een grond van guillotine-zwart geteekend werd? En er zijn des avonds drieëntwintig schouwburgen geopend, en zestig Salons de danse, vol van louter ègalité, fraternité en carmagnole. En er zijn achtenveertig sectie-comité-kamers, vol tabaks- en brandewijndampen, krachtig ondersteund door de veertig sous daags, den verdachten tot bedwang. Er zijn twaalf gevangenissen, alleen te Parijs, die steeds tot den nok overvol zijn. En bij iedere gelegenheid, hetzij men heenga of te huis kome, behoeft men een bewijs van burgerschap (carte de civisme); ja, zonder dat kan men zelfs niet voor geld zijne dagelijksche onzen brood bekomen. En roodgemutste bakker-queues schommelen, niet in stilte! Want men leeft nog steeds bij een maximum van alles, waarbij het niet aan nood en verwarring ontbreekt. Alle aangezichten zien donker van verdenking, van te verdenken of van verdacht te zijn. De straten worden niet gereinigd, de wegen niet hersteld. De justitie heeft haar boeken gesloten, spreekt weinig, behalve kortaf door de keel van Iinville. Misdaden blijven ongestraft, niet de misdaden tegen de Omwenteling- (1) Het aantal vondelingen is volgens de berekening van sommigen verdubbeld.

Hoe stil houden zich thans de royalisten, alle aristocraten en achtbare personen, die rijtuig plegen te houden! Eer en veiligheid zijn thans het eigendom der armoede' niet van den rijkdom. De burger, die fatsoenlijk wil zijn, wandelt met zijne vrouw aan den arm met eene rood wollen muts op, in een zwart wollen wambuis en carmagnole compléte. Het aristocratisme bukt zich diep, waar het nog beschutting kan vinden; onderwerpt zich aan alle afpersingen en kwellingen en is al te gelukkig, als het slechts het leven mag redden. Woest en verlaten staan de kasteelen, daken en vensters af- en uitgebroken door den nationalen slooper om het lood en schroot; de oude bezitters dwalen troosteloos met Condé(2) aan gene zijde van den Rijn rond. De ci-devant Seigneur van den allerfijnsten smaak wordt te Hamburg een uitstekend kok en restaurateur, de ci-devant madame van de keurigste kleeding wordt te Londen eene gelukkige marchande de modes. In Newgate-street ontmoet men monsieur le marquis met eene ruwe plank op den schouder, dissel en schaaf onder den arm, hij is schrijnwerker geworden: men moet immers toch leven (fout vivre). (3) Schooner dan allen bloeit in deze tijden van papierengeld de actiehandelaar. Ook de pachter bloeit. De pachthoeven, zegt Mercier, zijn als 't ware lombarden geworden; alle soort van huisraad, goud- en zilverwerk wordt hier opgestapeld: het brood is duur. Het pachtgeld bestaat in papierengeld en de pachter alleen heeft brood, de pachter is er beter aan toe dan de landheer en^zal zelf landheer worden.

En dagelijks, gelijk gezegd is, rijdt de revolutie-kar als een zwart spook, zwijgend te midden der levenswarring, en schrijft op de muren het: Mene, Mkne, ge zijt gewogen en ie licht bevonden! Een spook, waarmede men gemeenzaam geworden is. Men heeft zich geschikt, er komt geene klacht meer van de doodskar. Zwakke vrouwen en ci-devanls, wier opschik geheel verschoten is, zitten daar met een strakken blik, als staarden zij in den oneindigen nacht. De eenmaal schertsende lip vertoont een ironisch lachje, uit geen woord en de kar rijdt verder. Voor don hemel mogen zij schuldig zijn of niet, voor de revolutie zijn ze waarschijnlijk schuldig. En voorts, «slaat niet de republiek geld" met hare groote bijl? Roode nachtmutsen huilen hunnen afgrijselijken bijval; het overige Parijs ziet toe, indien met een zucht, dan is het veel; wat baatte ook dat zuchten den medeschepselen, die in des noodlots en Tinvii.le's klauwen vervallen zijn.

Eéne zaak of liever twee moeten wij nog aanstippen en dan niet meer: de blonde pruiken, en de looierij te Meudon. Veel is er over deze perruques blondes gepraat. O

(1) Mercier, V, 25. Deux amis, XII, 148—199,

(2) Zie pag. 70. deel I.

(3) Zie deux amis (XV, 180—192). Mémoires de Genlis ; Founders of the French republic, etc.