is toegevoegd aan uw favorieten.

De Fransche Revolutie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oeorge Cadoudal (1) is naar Brelagne bij zijne Chouans (2) teruggekeerd : de vreeselijke kanker der Vendée is zoo goed als uitgeroeid. Hij heeft, naar men berekent, in ronde getallen aan honderdduizend medemenschen het leven gekost, behalve de noyades en wat de helsche kolonne door vuur verwoestte, hetwelk onberekenbaar is. Dat is de oorlog in de Vendée. (3)

Ja, binnen weinige maanden ontvlamt hij nog eenmaal, maar eens slechts, aangeblazen door Put, onzen ci-devant Puisaye (4) van Calvados en anderen. In de maand Juli van 1795 liggen Engelsche schepen op de reede van Quiberon ten anker. Er worden ridderlijke ci-demnts, krijgsgevangen-vrijwilligers ontscheept (die snel deserteeren), geweren, proclamatiën, kleerkisten, royalisten en baar geld. Daarop snellen ook de republikeinen te wapen, marcheeren heimelijk des middernachts over

Geoiige Cadoudal.

het strand van Quiberon, bestormen liet fort Penthièvre, en de oorlogsdonder vermengt zich in den nacht met de branding van den oceaan, en er breekt een morgenlicht aan, zoo als men zelden gezien heeft: de gelanden worden teruggeslingerd in hunne booten of in de verzwelgende golven, met schipbreuk en gehuil, kortom, de ci-devant Puisaye heeft hier niet meer geluk dan in Calvados, toen hij zonder laarzen van het slot Vernon (5) wegreed. (6)

Wederom heeft het dus menige dappere het leven gekost. Onder dezen bejammert do geheele wereld den dapperen zoon van de Sombreuil. Ongelukkige familie! De

(1) George Cadoudal (1769—1804),' een van de hoofden der Chouans, die menigmaal weder in opstand kwam. Hij werd in 1804 ter dood gebracht.

(2) De naam »Chouan" is, volgens Mortonval, een verkorting van Chat-huant nachtuil), de scheldnaam van den vader van Jean Cotterau (zie noot 1 op pag. 15.)

(3) Histoire de la guerre de la Vendée par M. Ie Comte du Vauban. Mémoires de Madame de la Rochk Jacqüelik, etc.

(4) Zie noot 2 op pag. 175.

(5) Zie pag. 184.

(6) Deux amis, !X1V, 94—106. Puisaye, Mémoires, III—VII.