is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteerde gangen stonden er hol en brak, scheidingen niemand toebehoorend. In deze grauwe ophooping. het levenloos geraster, de huurkazerne van een maatschappij voor goedkoope woningen, waarvoor je nog maar wit soliede en degelijk moest staan aangeschreven, met liefst aldoor vast werk, om er voor in aanmerking te komen als huurder, viel al 't daagsch gestommel dadelijk weg zonder gerucht, omdat ieder zich terugtrok achter zijn deur, in zijn eigen vertrek, kamer met alkoof en keuken. De zestien schelknoppen aan de deur, bij het bouwen aangebracht, doch niet onderhouden, zaten daar eigenlek ook voor niemendal, de meesten ervan allang stukgetrokken, anderen verroest en knarserig door het weinig gebruik. Want wie er kwam, wist wel waar hü moest wezen, klom parmantig op, klopte maar ergens aan als hij zich vergiste, en ze zeien dan wel: één, twee, drie of vierhoog, vóór, achter, links of rechts. Voor de bewoners waren die schelknoppen in 't geheel niet noodig. De buitenpoort stond altijd open, overdag en 's avonds wagewjjd, 's nachts op een kiertje, want van de vele trappen, uit de leege gangen, viel niets weg te halen, ieder sloot van binnen voor de sekurigheid wel af, en waar geen bel ooit klingelde, bleef het stil en doods. Alleen 's zaterdags, als de mannen te wachten waren met het loon, verkeerde het, ontstond er bedrijvigheid, kwam er kleur en leven.

Van morgen begon het al vroeg.

Zoowat allen tegelijk kwamen de vrouwen aan de