is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd weg in 't kussen, hield zich of ze sliep. Haar hoofd werd er nog te klaarder door.

Onhandig stommelde de man in 't vertrek wat rond, kwam ook in bed, — en met de rug naar elkaar toe, nog meer van elkaar vervreemdend in de nijdigheid van onmacht, waaraan niets te veranderen viel, hokten heider gedachten vast op dat ééne: 't zonder verdienste zijn. Ontredderd leien ze neer als onder een zware klauw. Zy slikte haar zuchten in, hy steunde luid.

Telkens raakte hij zonder werk. Dit lag aan 't vak, ook wel aan hem; anderen bleven langer aan de slag, h\j was de minste, de wrakste, werd het eerst eruit geschoven, omdat, al sjouwde hij even hard, toch minder flink aanpakken kon, verzwakt, ontvleescht voor zyn tyd door al dat ploeteren cp werven, ver boven zyn macht.

Hij voelde en wist, dat hij altijd 't eerst van allen gedaan kreeg, voelde dat zyn vrouw dit niet kon ontgaan, waaruit volgde dat hy in haar oogen een slampamper werd, een vent van niks. Dat ergerde hem 't meest. Ze had het hem nog niet verweten, nee dat moest ze ook eens lappen. Om dat te voorkomen speelde hy altijd zoo geweldig óp, hield de schrik erin. Maar dit nam weer niet weg dat ze toch wel begreep waar het hem zat, uit al haar doen en laten, merkte hy het best. Ook al zou zy 't zelf gemeen vinden het te zeggen, ze kon toch niet verhelpen, dat ze 't wel eens liet blyken; uit het zwygen dan 't meest.