is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:

— As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.

— Och mensch, la na'r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag 1

— Ma'r 't is nou nacht.

— Nacht, nacht ? wat jü nacht noemt, pas half nege!

— Nee, 't is zeker vroeg, gotallemachtig...!

— Dè,t niet, ma'r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee ? Niks... hebbe we 't zoo goed... kunne we wachte! Is m'n gang soms 'n doktersgang ?

Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf 't niks, hij 't niet mocht laten ontglippen!

Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht, 't Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam 't er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:

— Je gaat niet, ik zèg je, je gaat niét!

Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:

— Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?