is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

In 't lamplicht, bijna neergedraaid tot schemerschijn, lag de kamer nu rustig, — en zijzelf keek met strak-open oogen in afwachtend berusten.

Buiten vlaagden nog na de sneeuwige winden, die niet meer zoo fel als in de vooravond, nu en dan raaklings langs de vensters streken, er aan jokkerend rukten als in even herinneren. De poes, uitgekolderd, zocht een plaatsje op de in-d'r-haast neergekwakte rokken, die in een zwarte vracht de stoelzitting overbolden.

De stramme moeheid van haar lichaam voelde ze nu eerst goed, haar beenen zoo stijf alg houten stelten, haar rug als gebroken, — en 't kwaad, broeiig hoofd, zwaar als lood, deed pijn van alle kanten. Ze wilde slapen, goed uitrusten, ze groef daarom dat hoofd diep in 't kussen, trok de dekens over de ooren. Maar de gedachten joegen, warrelden van zelf weer op. Al 't voorgevallene rammelde als een draaiend rad aldoor voor haar oogen. Nu de kamer daar zoo vredig

'43