is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog 't dooiwater sieperde. 't Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-richels.

In de Pijlsteeg zag ze 't groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.

Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep 't eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:

— Zondags is 't maar tot één uur open!

Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?

Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met 't logieszoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.

De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. 't Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en 't daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring, 't Was wel niet