is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.

— Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!

't Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt nietl

Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem 't nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op ? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...