is toegevoegd aan uw favorieten.

De ontredderden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ongerust voelde hy zich worden terwijl hij staarde naar 't wakende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hy naar had staan kijken, weieens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vennorseld haar zoüen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets ?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is 't I Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam h« aan zoo'n veronderstelling, was hij dan krankzinnig ? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij 't hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.

Zeker, als 't lekker warm was en 't licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanlei, als ze toch niet opdaagde.

Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij 'traam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesleten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarin