is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopt leerboek der geschiedenis van het vaderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belangen hadden, elk één stem uitbrachten, wat tot eindelooze

twisten aanleiding gaf.

De stadhouder. Ook de positie der stadhouders was door den opstand zeer gewijzigd. Vóór de omwenteling vertegenwoordigden zij den vorst en oefenden diens rechten uit; zoo benoemden zij uit een voordracht de nieuwe leden der vroedschappen en konden gratie en kwijtschelding van straf schenken. Daar zij bij den opstand hun macht behouden hadden, kwamen ze nu in een zeer zonderlinge verhouding tot de Staten te staan.

Hadden er aanvankelijk verschillende stadhouders naast elkaar gestaan, weldra kwam hierin verandering, daar Willem Lodewijk in Groningen en Drente, Maurits in de andere gewesten als stadhouder erkend werd. De laatste was bovendien kapiteingeneraal en admiraal der Unie en kon bovendien als hoofd van het Oranje-huis rekenen op den steun van het volk» zoodat hij een bijna vorstelijke positie innam.

De landsadvocaat. Naast den stadhouder zien we in verschillende gewesten nog een ambtenaar, die de leden der Staten, meestal mannen van de praktijk, als staatsman van beroep ter zijde stond. In Holland droeg hy den titel van advocaat van den lande; oorspronkelijk de rechtsgeleerde raadsman, werd hij op den duur de leider van het Staten-college. Vooral Oldenbarnevelt heeft door zijn groote bekwaamheden het aanzien van het ambt verhoogd; hij was voorzitter der Staten-vergadering; waren deze niet bijeen, dan leidde hij met de Gedeputeerde Staten de dagelyksche zaken. Bovendien berustte bij hem het beheer der buitenlandsche aangelegenheden; hij hield briefwisseling met de gezanten en kon dus als de Minister van Buitenlandsche Zaken der Unie beschouwd worden.

Stedelijke besturen. In de steden berustte het bestuur nog altijd bij de vroedschap, die gewoonlijk uit 24 tot 36 leden bestond. Meestal hadden de leden voor hun leven zitting; voor opengevallen plaatsen konden ze een voordracht opmaken, waaruit dan de stadhouder een keus deed. Uit hun midden kozen ze verder de burgemeesters (meestal vier, te Amsterdam twee) en de schepenen, welke laatsten met den schout de stedelijke rechtbank of schepenbank vormden.

Groote macht der vroedschap. De burgerij had meestal in 't geheel geen invloed op de regeering; de Staten van Holland