is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopt leerboek der geschiedenis van het vaderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Noorden eenstemmig toegejuicht en door de Staten-Generaal met kleine meerderheid aangenomen werd.

Partijen. Één omstandigheid maakte voorloopig den toestand nog niet gevaarlijk. In België waren twee partijen, de Clericalen en de Liberalen, die zóó scherp tegenover elkaar stonden, dat van een gemeenschappelijk verzet tegen de regeering geen sprake was.

De clericale partij. De streng katholieke partij had zich van den aanvang af tegenover de regeering geplaatst. Aan haar invloed vooral was het toe te schrijven, dat de meerderheid der notabelen tegen de grondwet gestemd hadden; de bisschop van Gent, de Broglie, had zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat geen Katholiek den eed op de grondwet mocht afleggen. Onhandige maatregelen der regeering gaven weldra aanleiding tot ernstige conflicten met den onbuigzamen prelaat. Een proces werd tegen hem aangevangen, dat met een veroordeeling tot verbanning eindigde; op de meest beleedigende w^ze (door aanplakking aan den schandpaal) werd zijn vonnis als dat van een gewoon misdadiger bekendgemaakt. Korten tijd daarna werd een priester wegens een persvergrijp bij het verlaten der kerk gevangengenomen.

De opleiding der geestelijkheid. Ernstiger werd de zaak, toen de regeering zich met een teer punt, de opleiding der geestelijkheid, ging bemoeien en gelastte, dat de geestelijken hun voorbereidend onderwijs op een staatsinstelling, het „Collegium philosophicum", moesten genieten. Men vreesde, dat de regeering op die wijze de geestelijken in onderdanigheid aan de wereldlijke macht wilde opvoeden, en betwistte haar het recht zich met een zuiver kerkelijke aangelegenheid in te laten. Dubbel hatelijk werd de maatregel, toen het gebouw, waar vroeger Jozef II tevergeefs een soortgelijke inrichting had willen vestigen, voor dit doel werd aangewezen.

Autoritair bestuur. Wij hebben reeds gezien, dat de grondwet van 1815 aan den koning een zeer groote macht had gegeven, terwijl de rechten der vertegenwoordiging vrij gering waren. Onder de vorsten van dien tijd ging Willem I voor zeer vrijzinnig door; in het Noorden, waar men den koning geheel vertrouwde, was men ook zeer ingenomen met zyn bestuur. Anders was het echter in het Zuiden, waar vele Liberalen niet